Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 6.

Afzien van invordering bij niet-fraudevorderingen na het niet of gedeeltelijk voldoen aan de betalingsverplichting

Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 - 2021

In afwijking van artikel 2, bij Bbz 2004 enkel voor zover het betreft de terugvordering van een uitkering in de vorm van een renteloze geldlening, kan het college afzien van invordering van uitkering indien de belanghebbende: gedurende vijf jaar zonder dwanginvordering volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75 % van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende vijf jaar zonder dwanginvordering gedeeltelijk aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, en dwanginvordering niet mogelijk is (gebleken); of een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de rest-som in één keer aflost. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt genomen als de belanghebbende daarom schriftelijk heeft verzocht, of er wordt ambtshalve toe besloten. De in lid 1 onder a. en b. genoemde termijn van vijf jaar is drie jaar, indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende, minus de aflossing die is gedaan ter nakoming van de betalingsverplichting, in die periode de beslagvrije voet bedoeld in het tweede boek, de tweede titel, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel