Naar hoofdinhoud
1.. Het college wijst een leerling toe aan een opstapplaats voor aangepast vervoer wanneer dit de doelmatigheid van het vervoer vergroot. 2.. Het is de verantwoordelijkheid van ouders: dat de leerling tijdig op de opstapplaats is en dat de leerling daar veilig kan wachten en geen overlast veroorzaakt om de leerling indien nodig op te halen op de opstapplaats (bij de terugrit) en naar huis of elders te begeleiden. 3.. De afstand van de woning van de leerling naar de opstapplaats bedraagt maximaal 2 kilometer1Een reistijd naar de opstapplaats van dertig minuten achtte de ABRvS alleszins redelijk (26 februari 1992, nr. R03.89.0419/83-107), deze is vertaald in een loopafstand van 2 kilometer.. 4.. De reistijd naar de opstapplaats telt niet mee in de bepaling van de reistijd in het voertuig voor aangepast vervoer. 5.. In de wet op het primair onderwijs (artikel 4 WPO, WEC en WVO, bij allen vierde lid) is gesteld dat gemeenten bij de uitvoering en opstelling van hun gemeentelijke verordening rekening moeten houden met de “draaglast van ouders”. Dat wil zeggen de redelijkerwijs te vergen inzet van ouders. Met betrekking tot het brengen naar en halen van de opstapplaats wordt de inzet van ouders hier gelijk getrokken met ouders van wie de kinderen in de wijk naar school toe gaan. Op het moment dat ouders dit niet zelf kunnen zal ouder hiervoor zelf een oplossing moeten zoeken. 6.. Om onbillijke situaties te voorkomen of verhelpen kan de ouder van een kind dat met het aangepast vervoer naar school gaat, een verzoek doen om vervoer vanaf de woning toe te kennen. Ouder(s) wordt gevraagd om aantoonbare en (medische) onderbouwende argumenten, zie artikel 15 van deze beleidsregels.

Rechtspraak bij dit artikel