Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 3. Dit betreft onder meer de kosten voor deskundigheidsbevordering, organisatiekosten, vergaderingen en de in artikel 10 lid 5 van de Verordening genoemde onkostenvergoedingen, zover de kosten in de begroting van de SMO-raad zijn benoemd en door het college zijn goedgekeurd.
Artikel 5.