De verboden van de Opiumwet gelden niet alleen voor middelen als genoemd in lijst I en II, maar ook voor middelen die vooruitlopend op plaatsing op lijst I of II, zijn aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet.
Artikel 13b Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien er sprake is van drugshandel. De burgemeester is ook bevoegd een pand te sluiten indien sprake is van voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet. Die bepalingen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in het pand voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is om de betreffende strafbaar gestelde feiten te plegen.
Dit beleid ziet alleen op woningen en lokalen, waaronder de sociale huurwoningen van woningbouwcorporaties Het beleid ziet niet op gedoogde coffeeshops. Daar is afzonderlijk beleid voor vastgesteld.
Als uitgangspunt geldt dat bij een eerste overtreding aan betrokkene(n) bij het aantreffen van een handelshoeveelheid een waarschuwing wordt gegeven. Op het moment dat er sprake is van een ‘ernstig geval’ en/of ‘verzwarende omstandigheden’ wordt er opgetreden door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang in de vorm van een (tijdelijke) sluiting. In het beoordelingskader zal nader worden toegelicht wanneer sprake is van een ernstig geval.
Bij het toepassen van bestuursrechtelijke herstelsancties kan de burgemeester kiezen tussen een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang. De last onder dwangsom wordt in het kader van bestuursrechtelijke handhaving van de Opiumwet niet als een geschikt middel gezien. De doelen die met een sluiting zijn gediend, namelijk een einde te maken aan de met de Opiumwet strijdige situatie en het herstellen van de openbare orde, worden met een last onder dwangsom onvoldoende bereikt. Gelet op het financiële gewin dat beoogd wordt met drugshandel, is het aannemelijk dat indien een last onder dwangsom zou worden opgelegd een financiële afweging wordt gemaakt en de overtreding van de Opiumwet niet wordt beëindigd dan wel beëindigd wordt gehouden. Met een last onder dwangsom wordt bovendien de onveilige situatie (brandgevaar, ripdeals, overlast) ten aanzien van de omgeving niet opgeheven. Om die reden is dus gekozen voor het toepassen van bestuursdwang. Met het feitelijk sluiten van een pand wordt een zichtbaar signaal afgegeven dat drugscriminaliteit niet wordt getolereerd en daartegen wordt opgetreden. De sluiting van het pand wordt zichtbaar aan het pand kenbaar gemaakt door een bord of poster. De zichtbaarheid bevordert dat de loop naar het pand wordt doorbroken en dat de openbare orde en veiligheid in de omgeving van het pand wordt hersteld.
In onderhavig beleid wordt geen onderscheid gemaakt tussen hard- en softdrugs. In beide gevallen kan sprake zijn van zeer ernstige verstoring van de openbare orde die een sluiting rechtvaardigt. Gelet op de professionalisering die de hennepteelt de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, de risico’s die daarbij worden genomen en de uitstraling daarvan op de leefomgeving, is ook bij de handel in softdrugs sprake van een zeer ernstige verstoring van de openbare orde en kan ook dan (directe) sluiting noodzakelijk zijn.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.2