Naar hoofdinhoud
1.. Giften worden door belanghebbende altijd gemeld bij het college tenzij in deze beleidsregel anders is bepaald. 2.. Giften in de vorm van verstrekkingen van de Voedselbank, Kledingbank, Goederenbank, Speelgoedbank, Stichting Leergeld, Stichting Urgente Noden en soortgelijke charitatieve instellingen worden niet als middelen in de zin van de wet beschouwd. 3.. Voor giften die genoemd zijn in lid 2 geldt geen meldingsplicht. 4.. Giften met een bepaalde bestemming, waarvoor anders periodieke bijzondere bijstand zou (kunnen) worden verstrekt, worden vrijgelaten. Er is dus sprake van noodzakelijke, uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten waarin wordt voorzien door een gift van een derde. Voorwaarde is ook dat de gift aantoonbaar wordt aangewend voor dit doel. 5.. Giften die ter vrije besteding van de ontvanger zijn of zijn aan te merken als bestemd voor een doel dat overeenkomt met het doel van de algemene periodieke bijstand, kunnen tot een bedrag van € 1200,- per jaar worden vrijgelaten. 6.. Indien er geen recht op uitkering bestaat gedurende het gehele kalenderjaar worden de bedragen als genoemd in lid 5 berekend naar rato van het aantal maanden dat in het kalenderjaar een uitkering wordt verstrekt. 7.. Van een gift in natura wordt de tegenwaarde in het economisch verkeer in aanmerking genomen. De waarde wordt bepaald aan de hand van de NIBUD-lijst. 8.. Indien de gift hoger is dan de bedragen als genoemd in lid 5, wordt het meerdere niet als een verantwoorde gift beschouwd als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Pw. In dit geval wordt het meerdere van het ontvangen geldbedrag of de waarde van de goederen in natura gezien als inkomsten of vermogen. 9.. Het bedrag van de maximale vrijlating uit lid 5 geldt per kalenderjaar. Het is niet mogelijk om een “ongebruikt” deel van de vrijlating mee te nemen naar een volgend kalenderjaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel