Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan op aanvraag een tegemoetkoming TONK verstrekken aan: de alleenstaande die te maken heeft met een inkomensterugval van minimaal 15%, waardoor de betaling van de noodzakelijke woonlasten niet mogelijk is uit het inkomen en de beschikbare geldmiddelen, waarbij uitsluitend de beschikbare geldmiddelen boven de in artikel 7, derde lid, onder a, genoemde vermogensgrens in aanmerking worden genomen; het gezin, waarbij ten minste één partner te maken heeft met een inkomensterugval van minimaal 15%, waardoor de betaling van de noodzakelijke woonlasten niet mogelijk is uit het gezinsinkomen en de beschikbare geldmiddelen, waarbij uitsluitend de beschikbare geldmiddelen boven de in artikel 7, derde lid, onder b, genoemde vermogensgrens in aanmerking worden genomen. 2.. Het aandeel van de noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 4, dat uitkomt boven 33% van het (gezins)inkomen van de maand voorafgaand aan de eerste maand waarover de tegemoetkoming wordt aangevraagd, komt voor vergoeding in de vorm van een tegemoetkoming TONK in aanmerking en bedraagt minimaal € 100,- per maand. 3.. De tegemoetkoming TONK bedraagt nooit meer dan de hoogte van de inkomensterugval van het huishouden, tenzij de hoogte van de inkomensterugval van het huishouden tussen € 1,- en € 100,- ligt. 4.. In afwijking van artikel 44, eerste lid, van de wet kan met terugwerkende kracht een toekenning op een aanvraag plaatsvinden over de maanden vanaf juli 2021. 5.. De tegemoetkoming TONK wordt verstrekt voor ten hoogste de periode van 1 juli tot en met 31 decenber 2021. 6.. De uitbetaling vindt maandelijks plaats.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel