Bij een garantstelling staat een derde partij garant voor een lening. Deze lening wordt aangegaan door een externe partij voor de financiering van duurzame investeringen, zoals gebouwen. De bank kan bij het verstrekken van een lening als eis stellen dat een concreet genoemde derde partij zich onherroepelijk garant stelt voor tijdige betaling van rente, aflossing en eventueel ook boetes, ingeval van wanbetaling door de partij die de lening is aangegaan. In dat geval moet de garantsteller betalen.
De geldverstrekker loopt minder risico, waardoor de verschuldigde rentevergoeding over het algemeen lager is dan in een situatie zonder garantstelling.
Bij leningen aan maatschappelijke partijen vraagt de geldverstrekker vaak de gemeente of een waarborgfonds om garant te staan. De garantsteller accepteer daarmee het risico. Deze risico’s spelen een rol in de bepaling van de weerstandscapaciteit en worden expliciet benoemd in de gemeentelijke jaarrekening en begroting.
In het Burgerlijk Wetboek wordt een garantstelling officieel ‘borgtocht’ genoemd. In deze nota hanteren we de term garantstelling ook voor borgtocht.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.2