De beoordeling vindt plaats op drie terreinen: inhoudelijk, financieel en risicobeheersing.
De beleidsmedewerker van het team of organisatieonderdeel dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waarop de aanvraag betrekking heeft, beoordeelt de aanvraag inhoudelijk op (in ieder geval) de volgende punten:
Is er sprake van een publiek belang?;
Past de investering waarvoor de geldlening wordt aangegaan binnen het bestaande beleid van de gemeente?;
Is de aanvraag volledig?;
Is de urgentie voldoende aangetoond?;
Organisatorische aspecten; zijn er ontwikkelingen op organisatorisch vlak die invloed hebben op de continuïteit van de instelling?;
Zijn er wettelijk gezien belemmeringen te benoemen?
De financieel adviseur van het organisatieonderdeel waarop de aanvraag betrekking heeft, beoordeelt de aanvraag financieel op (in ieder geval) de volgende punten:
Is er een andere garantsteller op het gebied waarvoor de geldlening wordt aangevraagd?;
Liquiditeit en solvabiliteit; is de instelling in staat gedurende de looptijd van de lening te voldoen aan de aflossings- en renteverplichting?;
Meerjarenramingen; leiden de meerjarenramingen tot een risico voor de aflossings- en renteverplichting bij de instelling?;
Kent de instelling voor het komende tijdvak een sluitende begroting?
De gemeentecontroller beoordeelt de mogelijke risico’s van de aanvraag en bepaalt daarbij in ieder geval:
De hoogte van het risicobedrag van de aanvraag;
De mogelijke risicobeperkende maatregelen;
De waarschijnlijkheid dat het risico zich voordoet, afhankelijk van de argumenten, kanttekeningen en de beheersingsmaatregelen die de gemeente treft;
Het effect op de weerstandsratio van de gemeente.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.3