**1..** Het college kan een voorziening beëindigen als:
de deelnemer zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;
de deelnemer niet meer behoort tot de doelgroep;
de deelnemer algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt;
de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling van de deelnemer;
de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de deelnemer;
de deelnemer niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;
de deelnemer niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
**2..** Het eerste lid onder c is niet van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 25, 28 en 30 van deze verordening, voor zover deze voorzieningen worden ingezet ten behoeve van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.
**3..** Als een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, en werkzaam is bij een werkgever, verhuist naar een andere gemeente, is het college bevoegd de ingezette voorziening(en), met uitzondering van de voorziening als bedoeld in artikel 28 van deze verordening te beëindigen of over te dragen aan de gemeente waarin de belanghebbende gaat wonen of te bepalen dat de voorziening kan worden voortgezet.
Hoofdstuk 2:
Artikel 7.