Van een situatie als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder c van de verordening is in ieder geval sprake als de aanvrager:
vanaf het moment dat de kans op dreigende dakloosheid voorzienbaar werd, niet aantoonbaar actief heeft gereageerd op passende woonruimten van woningcorporaties;
vanaf het moment dat de kans op dreigende dakloosheid voorzienbaar werd, een passende woonruimte van een woningcorporatie heeft afgewezen;
gelet op zijn inkomen de middelen heeft om zelf in een oplossing voor het huisvestingsprobleem te voorzien;
gelet op de aard en ernst van het huisvestingsprobleem, binnen zes maanden zelf, gelet op zijn inschrijfduur als woningzoekende, geacht wordt een woning te kunnen vinden.
Artikel 9