De vergunning bedoeld in artikel 14, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken indien:
a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 14, derde lid, niet naleeft;
c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijk monument, archeologisch waardevol gebied of archeologisch onderzoeksgebied zwaarder dient te wegen;
d. niet binnen twee jaar van de vergunning gebruik wordt gemaakt.
Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.