Voor het toezicht op de asbestcomponent van de sloop geldt in principe hetzelfde als voor de andere componenten van sloop: het bevoegd gezag beslist hoeveel inspanningen gerechtvaardigd zijn uitgaande van het risico dat de activiteit met zich meebrengt.
Het toezicht en de handhaving door gemeenten en provincie tijdens de (bedrijfsmatige) asbestverwijdering is, gezien artikel 16 van het Asbestverwijderingsbesluit, beperkt tot de zorg dat:
de bedrijfsmatige asbestverwijdering alleen wordt uitgevoerd door een bedrijf in bezit van het certificaat als bedoeld in art. 4.54d, eerste lid van het Arbo-besluit;
direct na de asbestverwijdering een eindbeoordeling wordt uitgevoerd (binnenruimte) dan wel een visuele inspectie (buitenlucht) en dat het eindresultaat daarvan binnen twee weken wordt ingevoerd in het LAVS;
geen andere werkzaamheden (dan de asbestverwijdering) worden uitgevoerd zolang de eindbeoordeling/visuele inspectie niet uitgevoerd en daaruit blijkt dat alles akkoord is. Eerder mag de reguliere sloop niet aanvangen.
Gemeenten en provincies zijn dus op basis van het Asbestverwijderingsbesluit niet verplicht om erop toe te zien dat het AIR inhoudelijk juist is en dat de werkzaamheden op de juiste wijze worden uitgevoerd. Dat is geborgd middels certificeringen (het asbestverwijderingsbedrijf moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat de DTA tijdens de asbestverwijdering op de projectlocatie inhoudelijk toezicht houdt) en valt onder de verantwoordelijkheid van de minister SZW. Ook Pels Rijcken geeft in het advies aan dat de Inspectie SZW verantwoordelijk is voor het toezicht en de handhaving vanaf het moment dat is aangevangen met de feitelijke asbestverwijderingswerkzaamheden.
In het rapport van Pels Rijcken wordt aangegeven dat de minister IenW (de Inspectie Leefomgeving en Transport) verantwoordelijk is voor de afvoer, opslag en de vernietiging van het asbest (bij het wettelijk minimum scenario stelt het gemeente geen aanvullende voorwaarden). Op termijn zal de minister IenW de bevoegdheid gezag rol overgedragen aan de gemeente.
Gemeenten en provincies hebben in het kader van de Woningwet en het Bouwbesluit wel een toezichthoudende en handhavende bevoegdheid vanuit de zorg voor de leefomgeving. De intensiteit van het toezicht is onderwerp van besluitvorming door het bevoegd gezag.
Feit is dat de leefomgeving voldoende is beschermd wanneer de werknemers voldoende beschermd zijn. In het algemeen geldt dat de werknemers een groter risico lopen dan de leefomgeving bij asbestverwijdering (zie ook paragraaf 2.1). Het uitgangspunt bij het bepalen van de omvang en diepgang van het toezicht en de handhaving door de deelnemers in de ODH is daarom dat de leefomgeving in beginsel voldoende is beschermd met het toezicht en handhaving door de Inspectie SZW. Het toezicht op de veiligheid van de leefomgeving kan daarom sterk worden beperkt.
Op welke wijze het toezicht en de handhaving in de basis wordt uitgevoerd wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 4.
Het toezicht van de Inspectie SZW is gericht op het veilig verwijderen van asbest door bedrijven vanuit de zorg voor werknemers. De Inspectie SZW heeft de bevoegdheid om vanuit dat oogpunt een sloop- of verwijderingswerk onmiddellijk stil te leggen.
Wanneer een situatie onveilig is vanuit het oogpunt van de zorg voor werknemers, hoeft deze zeker niet onveilig te zijn voor de leefomgeving. Andersom zal dat wel het geval zijn. Een door de gemeente (in casu haar uitvoeringsorganisatie ODH) geconstateerde onveilige situatie voor de leefomgeving kan daarmee het beste direct doorgemeld worden aan de Inspectie SZW die het werk dan kan stilleggen en daarmee ook blootstelling van (veel) asbestvezels naar de leefomgeving voorkomt.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.2