Naar hoofdinhoud
Wij wijken af van het bestemmingsplan voor bijbehorende bouwwerken bij een woning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Op de grond staande bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied Wij staan niet meer toe dan vergunningsvrij is op grond van artikel 2, derde lid van Bijlage II van het Bor. In afwijking daarvan geldt het volgende: bij vrijstaande en twee-aan-een geschakelde woningen: de diepte van een tegen het hoofdgebouw aangebouwd bijbehorend bouwwerk, al dan niet functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, mag meer dan 4 meter zijn, gemeten vanaf de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw, dan wel het denkbeeldige verlengde daarvan; de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijhorende bouwwerken in een bebouwingsgebied van meer dan 300 m² mag 90 m² zijn, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 250 m². Niet op de grond staande bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied Niet op de grond staande bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied, die niet vallen onder H van dit artikel en voor zover niet geregeld in de artikelen 5 en 6, worden per geval beoordeeld. Bijbehorende bouwwerken ten behoeve van huisvesting in verband met mantelzorg Het bouwen van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van huisvesting in verband met mantelzorg worden per geval beoordeeld. Erkers in het voorerfgebied de breedte van een erker bedraagt maximaal 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijk hoofdgebouw. Dit geldt ook wanneer de erker de hoek omgaat (zie tekening); maximaal 1,2 meter diep, gemeten vanuit de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw; afstand tussen de erker en de erfgrens met niet particuliere erven moet minimaal 1 meter bedragen; bouwhoogte maximaal 0,3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw; erkers die niet aan de voorwaarden zoals hiervoor onder leden 1 tot en met 4 van dit artikel voldoen, maar die wel identiek zijn aan een reeds vergund bouwwerk in een identiek woontype gelegen binnen dezelfde aaneengesloten bebouwing worden per geval beoordeeld. Verbinden hoofdgebouw met een bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevel de diepte van de ruimte tussen het bijbehorend bouwwerk en de oorspronkelijke voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2,5 meter; de breedte van het bouwwerk bedraagt ten hoogste de breedte van het bijbehorend bouwwerk; de bouwhoogte is niet hoger dan 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; het bouwwerk dient plat te worden afgedekt; bijbehorende bouwwerken die niet aan de voorwaarden zoals hiervoor onder leden 1 tot en met 4 van dit artikel voldoen, maar die wel identiek zijn aan een reeds vergund bouwwerk in een identiek woontype gelegen binnen dezelfde aaneengesloten bebouwing worden per geval beoordeeld. Overige bijbehorende bouwwerken vóór de voorgevel luifels worden per geval beoordeeld; uitsluitend bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel die identiek zijn aan een reeds vergund bouwwerk bij een identiek woontype gelegen binnen dezelfde aaneengesloten bebouwing worden per geval beoordeeld. Voor een dakterras: het dak van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag worden gebruikt als dakterras, met dien verstande dat de afstand van een balustrade tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 2 meter dient te bedragen tenzij de eigenaren van de naastgelegen percelen schriftelijk toestemming hebben gegeven voor een kleinere afstand dan 2 meter; de maximale bouwhoogte mag worden overschreden door een balustrade, met dien verstande dat de bouwhoogte van de balustrade niet meer mag bedragen dan 1,2 meter ten opzichte van de bovenzijde van de (on)afgewerkte vloer van het dakterras. Voor een ondergronds gebouw/kelder: ondergrondse gebouwen zijn alleen daar toegestaan waar volgens het bestemmingsplan en/of deze beleidsregels ook bovengronds gebouwd is of mag worden; maximaal één bouwlaag met een maximale diepte van 4 meter gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer tot aan het laagste punt van het ondergrondse gebouw/de kelder dan wel wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid van Bijlage II bij het Bor tot aan het laagste punt van het ondergrondse gebouw/de kelder; als er toestemming van een ander bevoegd gezag nodig is, deze toestemming is overgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel