Uit de wet volgt dat het college een onderzoek moet doen naar de behoefte aan jeugdhulp als de jeugdige en/of zijn ouder(s) dat bij het college heeft gemeld. In tegenstelling tot de Wmo 2015 schrijft de wet niet voor welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Uit de jurisprudentie blijkt overigens dat het college niet altijd alleen kan uitgaan van de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college moet daarom zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de situatie (bijv. RBOBR:2021:53, RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439).
Stappenplan
In CRVB:2017:1477 heeft de Centrale Raad van Beroep zich voor het eerst uitgesproken over de vraag waar een onderzoek van het college aan moet voldoen wanneer een jeugdige en/of zijn ouder(s) zich meldt. Wanneer een melding wordt gedaan, moet het college:
allereerst vaststellen wat de hulpvraag van jeugdige of ouders is,
de opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problematiek in kaart brengen en vaststellen welke problemen en stoornissen er zijn,
bepalen welke hulp naar aard en omvang nodig is,
nagaan in hoeverre die hulp bijvoorbeeld door de ouders kan worden geboden,
Als dat nodig is, moet het college zich bij de besluitvorming laten adviseren door een specifieke (jeugdhulp)deskundige.
Voor zover de eigen mogelijkheden ontoereikend zijn, zal het college een voorziening voor jeugdhulp dienen te verlenen.
Spoedhulp
Art. 2.6, eerste lid aanhef en onder b, van de wet bepaalt onder meer dat jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden. De verplichting tot het zorgen voor spoedhulp laat zich niet vertalen in beleidsregels, maar is afhankelijk van de individuele situatie.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2