Artikel 8.6 van de verordening
Het college kan de betaling van het pgb aan de Svb voor maximaal 13 weken opschorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, maar het voorschot nog niet heeft uitbetaald aan de Svb en er aanleiding is om dat ook niet te doen. Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet.
Gegevens
Artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder a, van de wet heeft betrekking op het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens van de cliënt die bij de juiste of volledige verstrekking tot een ander besluit zou hebben geleid.
Voorwaarden
Artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder d, van de wet heeft betrekking op de cliënt die niet voldoet aan de voorwaarden die aan de maatwerkvoorziening of het pgb zijn verbonden.
Gebruik
Artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder e, van de wet heeft betrekking op de cliënt die de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.
Cliënt of derde
De aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de cliënt maar volgens de verordening ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Het gaat dus niet om vaststaande feiten of bewijs. Gedurende de termijn van opschorting voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden.
Voorbeelden van een gegrond vermoeden zijn:
Een door de Svb -op arbeidsrechtelijke aspecten- geaccordeerde overeenkomst die afwijkt van bijvoorbeeld het budgetplan. Het college geeft dan geen akkoord voor de overeenkomst.
Een concrete tip of signaal die het college heeft ontvangen.
Onduidelijkheid over de rechtmatigheid bij bijvoorbeeld de heroverweging van een besluit, de tussentijdse evaluatie of een verzoek om verlenging (herindicatie).
Een (plotselinge) toename van het aantal cliënten waar een derde ondersteuning aan biedt die qua omvang een 40-urige werkweek overschrijdt.
Schriftelijke kennisgeving
Het opschorten van de betaling moet worden aangemerkt als besluit in de zin van een rechtshandeling. Immers, de opschorting van de betaling van het pgb wijkt af van het toekenningsbesluit. Afhankelijk van het gegronde vermoeden, stelt het college de cliënt in kennis van de opschorting. Heeft het gegronde vermoeden betrekking op de schending van de inlichtingenplicht van de cliënt, dan ligt het niet voor de hand dat het college de bedoelde schriftelijke kennisgeving verstuurt. De uitkomsten van het onderzoek kunnen daardoor mogelijk beïnvloed worden. Dit laat onverlet dat de cliënt tegen de opschorting van betaling rechtsmiddelen kan inzetten.
Inzet in natura
Heeft het gegronde vermoede betrekking op de derde of een daaraan gelieerde (rechts)persoon, dan verstrekt het college hangende het onderzoek een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura. Immers middels het toekenningsbesluit is bepaald dat er voor de cliënt een maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) nodig is. Het college kan van de derde niet verwachten dat hij op de gok de ondersteuning - zonder daarvoor betaald te worden - voortzet. Er bestaat immers ook een risico dat het pgb-besluit met terugwerkende kracht wordt ingetrokken.
Hoofdstuk 13
Artikel 13.5