Artikel 9.4 van de verordening
Er zijn ook andere situaties denkbaar waarin het college kan overgaan tot terugvordering, namelijk:
bij het niet voldoen aan voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb,
als de maatwerkvoorziening of het pgb niet wordt gebruikt of voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt,
bij een onverschuldigde betaling,
als de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid in geval van een tegemoetkoming meerkosten voor een sportvoorziening.
Niet voldoen aan de voorwaarden
Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder d, van de wet. Zie voorbeelden wanneer het college daartoe over kan gaan in paragraaf 14.4. Als gevolg van het herzienings- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit.
Niet of voor een ander doel gebruikt
Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder e, van de wet. Zie voorbeelden wanneer het college daartoe over kan gaan in paragraaf 14.4. Als gevolg van het herzienings- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit.
Onverschuldigde betaling
Bij een onverschuldigde betaling gaat het om een betaling die zonder rechtsgrond wordt gedaan. Denk aan de administratieve vergissing door bijvoorbeeld de Svb (zie art. 2.6.2 van de wet), of het college in geval van mandaat. Ook de financiële tegemoetkoming die rechtstreeks onverschuldigd aan de cliënt wordt uitbetaald valt hier onder. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling kunnen ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura worden verstaan (art. 9.4, derde lid, van de verordening). Daarmee sluit het college aan bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde. Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in het geval van het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niets aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt.
Deze terugvorderingsbevoegdheid kan alleen worden uitgeoefend als de cliënt redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat ten onrechte:
ondersteuning in natura is ontvangen,
een financiële tegemoetkoming werd uitbetaald,
het pgb werd uitbetaald.
Zelfstandig terugvorderingsbesluit
Het gaat bij de onverschuldigde betaling om een zelfstandig terugvorderingsbesluit. Dat wil zeggen dat het college niet eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit hoeft te nemen.
Verjaringstermijn
Op grond van art. 3:309 BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser (het college) zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit over de onverschuldigde betaling, begint op het moment waarop het college bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit over terugvordering in de rede ligt (vergelijk CRVB:2007:BA2284 en CRVB:2008:BD6928).
Schending inlichtingenplicht tegemoetkoming meerkosten
De wet sluit niet uit dat het college de tegemoetkoming meerkosten kan terugvorderen in het geval de cliënt de inlichtingenplicht heeft geschonden zonder dat er sprake is van opzet. Zie artikel 9.4, tweede lid, van de verordening.
Hoofdstuk 14
Artikel 14.6