Naar hoofdinhoud
Indicatie Wlz De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, behoudens de uitzonderingsbepalingen (art. 2.3.5, zesde lid en art. 8.6.a van de wet). Opgemerkt wordt dat de hier bedoelde uitzonderingen niet gelden als de ondersteuningsbehoefte betrekking heeft op: huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, groepsondersteuning of kortdurend verblijf. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van een hulpvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Sinds 1 januari 2021 kunnen mensen met alleen een psychiatrische grondslag ook aanspraak maken op Wlz-zorg (art. 3.2.1 Wlz). Maatschappelijke participatie en Wlz Volgens de Centrale Raad van Beroep kunnen de Wmo 2015 en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking hebben op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan de maatwerkvoorziening collectief vervoer voor verzekerden die in een Wlz-instelling verblijven. Beoordeling Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is voldaan. Dat wil zeggen: heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. Is dat het geval, dan wordt beoordeeld of er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 8.6a Wmo 2015. Is dat het geval, dan doet het college onderzoek (zie hierna). Onderzoek De procedure van art. 2.3.2 Wmo 2015 moet in zo’n situatie volledig worden doorlopen. Daaruit zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsbehoefte is en de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Toepassing kan-bepaling Opgemerkt wordt dat de grondslag voor de beslissing op de aanvraag gebaseerd moeten worden op art. 2.3.5, zesde lid, van de wet en dus gebaseerd is op de kan-bepaling van dat lid. Dat wil ook zeggen dat het college niet hoeft te beoordelen of de betreffende maatvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven (art. 2.3.5, derde lid tweede volzin, van de wet). Het gaat er om of het college in redelijkheid tot het besluit (afwijzen of toekennen) heeft kunnen komen. Maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht Artikel 3.2, eerste lid, van de verordening Tussen melding en aanvraag De verordening bepaalt dat de cliënt de hulpvraag eerst moet melden bij het college alvorens een aanvraag in te dienen. Als een indicatie voor een maatwerkvoorziening is vastgesteld, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt deze met terugwerkende kracht te verstrekken. De verordening bepaalt dat dit in principe wordt geweigerd, tenzij het gaat om een maatwerkvoorziening die ná de melding van de hulpvraag is gerealiseerd met schriftelijke toestemming van het college vooraf. Beoordeling maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht De wet strekt er niet toe dat het college gehouden is om een maatwerkvoorziening te verstrekken als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de melding of de aanvraag is ingezet of aangeschaft (CRVB:2017:433). Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Dit betekent dat het aan de cliënt is om aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat de aanvraag niet eerder kon worden ingediend dan wel dat de cliënt zich niet eerder bij het college kon melden. Dat zal zich in de praktijk zelden voordoen, gelet op de laagdrempelige toegang. Wordt hier niet aan voldaan, dan wordt geen maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht verstrekt. Daarbij wordt opgemerkt dat een gerealiseerde maatwerkvoorziening in natura sowieso niet met terugwerkende kracht kan worden verstrekt. Is echter vastgesteld dat de melding of aanvraag niet eerder kon worden gedaan, dan beoordeelt het college of verplichtingen zijn aangegaan met derden die niet meer teruggedraaid kunnen worden. De cliënt moet dat aantonen met bijvoorbeeld een overeenkomst. Het kan in die gevallen feitelijk alleen maar gaan om nog niet gerealiseerde maatwerkvoorzieningen. Daarnaast is het zo dat het college nog in staat moet zijn om de noodzaak van de betreffende maatwerkvoorziening vast te stellen. Is dat niet meer mogelijk, dan zijn de gevolgen daarvan voor risico van de cliënt. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan in principe worden overgegaan tot het met terugwerkende kracht verstrekken van een maatwerkvoorziening. Ingangsdatum diensten Het spreekt voor zich dat in het geval een aanvraag wordt gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, wel een indicatie kan worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel