4.3.1Huishoudelijke taken
Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, RBGEL:2018:2007, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van de beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot.
4.3.2Overige taken of activiteiten
Zoals gezegd bestaat het bieden van gebruikelijke hulp niet alleen uit het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp baseert het college zich op de volgende feiten en omstandigheden:
De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.
De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft.
De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen.
De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd.
Ad 1.De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt
Het college inventariseert als eerste de hier genoemde omstandigheden.
De aard
De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op hulp bij:
zelfzorg;
de thuisadministratie;
het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie; of
problematisch gedrag.
De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. De mate waarin de cliënt ondersteuning nodig heeft zal eerst geïnventariseerd moeten worden (CRVB:2018:373). Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen. Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar kunnen worden geboden. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze beleidsregels en de voorbeelden.
De omvang
Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot in verband met bijvoorbeeld werk. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt.
Maar de cliënt kan ook zijn aangewezen op permanent toezicht. Dit zal zware eisen stellen aan de persoon die dat toezicht biedt. De vraag is of deze persoon nog in staat is om daarnaast gebruikelijke hulp te bieden, zoals het uitvoeren van huishoudelijke taken Permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid valt niet onder gebruikelijke hulp. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat voor het uitvoeren van een deel van de taken of activiteiten niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel wordt als boven-gebruikelijk aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar en geschikt, dan kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken.
De duur
Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Het kan bij een langdurige ondersteuningsbehoefte nog steeds gaan om hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen tot de (persoonlijke) levenssfeer behoren en om die reden geacht worden onderling aan elkaar te worden geboden.
Legen en reinigen toiletemmer
Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met een losse toiletstoel. Wenst de cliënt daar echter geen gebruik van te maken, dan mag van een partner/echtgenoot en/of inwonende meerderjarige kinderen worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen.
Ad 2.De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt
Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers, huisgenoten binnen de leefeenheid voeren een huishouden met elkaar. Dat maakt hen ook verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, van kinderen ten opzichte van hun ouders en van huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt.
Algemene aanvaardbare opvattingen in de persoonlijke levenssfeer
Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn hulp:
bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Denk ook aan het vervoer;
bij of het overnemen van taken die tot een huishouden behoren zoals de thuisadministratie;
aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc.;
van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar bijlage II Richtlijn gebruikelijke zorg van ouder(s) voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels.
Echtgenoten/partners
Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar in ieder geval meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene aanvaardbare opvattingen; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg.
Kinderen en ouders
Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen aan hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat voor begeleiding anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(s) begeleiding bieden. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn.
Huisgenoten ten opzichte van elkaar
Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn.
Ouders en kinderen
Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor opvang van kinderen hoofdstuk 6 huishoudelijke ondersteuning van deze beleidsregels. Verwezen wordt naar bijlage II Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen.
Thuisadministratie
Voor begeleiding bij of het overnemen van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat partners de thuisadministratie van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Het kan ook zijn dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Ook van ouder(s) wordt verwacht dat zij de thuisadministratie van een inwonend meerderjarig kind overnemen. Bij inwonende kinderen tot 23 jaar kan een uitzondering gelden voor het overnemen van de thuisadministratie van hun (alleenstaande) ouder. Het bieden van gebruikelijke hulp bij de thuisadministratie moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt.
Begeleiding gericht op zelfzorg
Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van echtgenoten/partners mag bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte in ieder geval worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt. Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte van de cliënt wordt gebruikelijke hulp van de echtgenoot/partner verwacht voor zover het activiteiten betreft die hen gezamenlijk aangaan, zoals het eten en drinken. Bij andere adl-activiteiten overlegt het college met de cliënt en zijn partner/echtgenoot wat redelijk is. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(s) aansporen tot zelfzorg.
Begeleiding bij het doen van aankopen
Van de echtgenoot/partner ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is overigens nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(s) incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen.
Begeleiding bij structureren van de dag/week
Van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken en bespreken van een dag- of weekplanning. Daarin staat de volgorde waarin activiteiten plaatsvinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan:
Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist,
Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, e.d.,
Bezoek aan familie,
Deelname aan geïndiceerde groepsondersteuning (brengen en/of opgehaald worden),
Etc.
Dergelijke activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie.
Begeleiding bij participatie
Onder participatie wordt onder meer verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname aan maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. Zoals gezegd geldt in het algemeen dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind wel mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen.
Individuele vervoersbehoefte, geen gebruikelijke hulp
De cliënt kan ook een individuele lokale vervoersbehoefte hebben en om die reden dus niet voor alle ondersteuning afhankelijk gemaakt worden van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening of tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto aan de cliënt zijn aangewezen.
Ad 3.De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen
Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp.
Kinderen binnen de leefeenheid
In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen. Verder gelden de volgende uitgangspunten.
Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.
Bij kinderen tussen 5-12 jaar worden hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.
Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, zoals rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.
Ad 4.De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd
Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier de gebruikelijke hulp geboden moet worden. Maar hij kan dat wel aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3