Omdat het college het uitgangspunt van de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Dat is het geval bij de noodzaak van een woningaanpassing en/of een traplift. Om te voorkomen dat bij relatief lage kosten het verhuisprimaat al zou worden toegepast, maakt het college een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en het verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de meest geschikte beschikbare nieuwe woning) anderzijds. Voor de kosten die met het verhuizen gemoeid zijn, geldt als uitgangspunt de maximale hoogte van de verhuiskosten en/of inrichtingskosten. Het college neemt de volgende kosten in elk geval mee in de overwegingen:
huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning;
de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning.
Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die dan toch gaat verhuizen, wordt geen financiële tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt (art. 3.4, derde lid, van de verordening).
Ad a.
Het kan voorkomen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op korte of middellange termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Onder een middellange termijn wordt een periode van 12 maanden verstaan. Hier kunnen hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zal misschien zelfs niet meer geschikt zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de aangevraagde woningaanpassing en/of traplift wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dit uitgangspunt sluit aan bij het principe van de wet dat mensen zolang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen).
Ad b.
Het kan voorkomen dat in de nieuwe beschikbare, op dat moment meest geschikte, woning ook weer bijvoorbeeld een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Deze eventuele aanpassingskosten weegt het college mee. Ook kan de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dit ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning.
Afwegingsfactoren primaat van verhuizen
Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen.
Belangenafweging
Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn:
Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie.
Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie.
De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend.
De verhuizing leidt tot een slechtere bereikbaarheid van voorzieningen voor de cliënt dan geldt voor de huidige woning. Denk aan: apotheek, huisarts, supermarkt, bibliotheek etc. Het college weegt dit aspect mee bij de beoordeling of het verhuisprimaat kan worden toegepast.
Het toepassen van het verhuisprimaat treft vanzelfsprekend ook de aanwezige huisgenoten. Het college weegt hun belangen mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen onverkort kan worden toegepast.
De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner.
Er is een substantiële stijging van de woonlasten die verbonden zijn aan de woning waar de cliënt naar moet (kan) verhuizen (zie verder hierna).
Woonlastenconsequenties woning
Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. De huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs aanvaardbaar is. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers, iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht).
Het kan ook gaan om een huurwoning in de vrije sector of een koopwoning. Daarvoor gelden dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn, hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Dat beoordeelt het college op basis van de individuele situatie.
Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen, worden de netto woonlasten van de eigen woning als volgt berekend:
Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten),
Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom,
Opstalverzekering.
Hoofdstuk 8
Artikel 8.5