Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Naast een gebruikerspas voor de maatwerkvoorziening collectief vervoer gaat het om vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel, fietsvoorziening, of autoaanpassing. Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar.
Scootmobiel
Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera.
Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als:
er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers,
de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel,
er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets,
de maatwerkvoorziening collectief vervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage),
de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest),
er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.
Stalling
Het stallen van vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moet op een adequate wijze gebeuren. Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Dat behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de scootmobiel, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. Een adequate stallingruimte wil zeggen dat de scootmobiel droog staat in een afgesloten ruimte. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden, diefstal en vernieling. In de stallingsruimte kan ook een oplaadpunt nodig zijn (valt ook onder de ondersteuningsplicht van het college)
Fietsvoorzieningen
Het college zal tijdens het onderzoek beoordelen of de cliënt voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of normale deelname aan het maatschappelijk verkeer is aangewezen op een elektrische fiets. Dit moet blijken uit de noodzaak daarvoor, dat zal in de meeste gevallen een medische noodzaak zijn. Kort gezegd: wat zijn de beperkingen in de (te wensen) activiteiten en draagt een elektrische fiets bij aan het opheffen of verminderen daarvan? Is dat het geval, dan beoordeelt het college of de elektrische fiets als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Heeft het verstrekken van een dergelijke fiets een therapeutisch doel (in beweging blijven of afvallen), dan heeft het verstrekken daarvan een therapeutisch karakter en valt in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college (CRVB:2013:BZ1741).
Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen
Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maken het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een bijzondere fiets gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar in ieder geval als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt.
Autoaanpassingen
Autoaanpassingen zijn erop gericht lokale verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto. Dat wil zeggen dat het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer bij hen niet kan worden toegepast. In de praktijk zal dat niet vaak voorkomen.
Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Voor deze aanpassingen kan in ieder geval geen beroep worden gedaan op de Wmo 2015 als gebruik kan worden gemaakt van de maatwerkvoorziening collectief vervoer (vergelijk CRVB:2011:BU7172).
Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing
Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd.
Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen én is de maatwerkvoorziening collectief vervoer (waaronder individueel taxivervoer) geen passende bijdrage?
Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op vervoer door diens partner; diens auto wordt dan beoordeeld op noodzaak tot aanpassing
Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?
Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)?
Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is nog ten minste zeven jaar te gebruiken moet zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto.
Verder speelt het aantal kilometers dat met auto is gereden een rol. Is er al 100.000 kilometer of meer mee gereden, dan is een autoaanpassing meestal niet meer verantwoord.
Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn. Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto.
De geldigheidsduur van het rijbewijs wordt ook in ogenschouw genomen. Dit in verband met een eventuele keuring ter beoordeling van de rijgeschiktheid.
Fondsenwerving
Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de cliënt daar op is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Immers ligt het niet voor de hand dat het college daarvoor een auto of een bus als maatwerkvoorziening moet verstrekken. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de cliënt daarover vooraf met het college contact te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen.
Hoofdstuk 9
Artikel 9.4