Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf

Artikel 2.2

Veranderen of aanleggen van een weg

Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving 2021

1.. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.. De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij of krachtens een omgevingsplan (van rechtswege), of voorbereidingsbesluit, of door het college in de overige gevallen. 3.. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4.. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel