Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 1

Artikel 2:1

Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats

Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving

1.. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare plaats anders te gebruiken dan op grond van de publieke functie daarvan. 2.. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.. Het verbod geldt niet voor: vlaggen, wimpels of vlaggenstokken wanneer deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en, ter voorkoming van gevaar of hinder, mits: geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de openbare plaats worden gebracht in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in ieder geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan is gereinigd; voertuigen, met uitzondering van bouwkranen, mobiele bouwliften, verreikers, betonpompen en kraanwagens; evenementen als bedoeld de Algemene plaatselijke verordening; terrassen als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:11. 4.. Het verbod geldt ook niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, tenzij deze door hun omvang, vorm, constructie of bevestiging schade toebrengen aan de openbare plaats, gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid of het doelmatig en veilig gebruik daarvan of een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats. 5.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:3 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd als het beoogde gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, gevaar oplevert of kan opleveren voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, of een belemmering vormt of kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; 6.. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenverordening Noord-Holland 2015. 7.. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel