Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels, kan het college besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien:
i. het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgerond;
ii. de cliënt zijn beschikbare aflossingscapaciteit niet wil gebruiken voor de aflossing van schulden;
iii. op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan betrokkene is toegekend, terwijl indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;
iv. belanghebbende zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het schuldhulpverleningstraject, misdraagt;
v. de cliënt niet in staat is zijn eigen financiën te beheren en passende hulp door hem wordt geweigerd;
vi. de geboden hulpverlening, door hoger geprioriteerde hulpverlening aan de cliënt, niet (langer) passend is;
vii. de schuldhulpverlening door het college niet langer noodzakelijk wordt geacht;
viii. de cliënt de verplichtingen als bedoeld in artikel 4 lid 1 en 2 niet of onvoldoende nakomt.