**1..** Kinderen of jongeren die onderdeel zijn van een tussenvoorziening kunnen uitsluitend aanspraak maken op leerlingenvervoer als:
het ouders niet lukt om zelf het vervoer van de leerling naar de locatie te verzorgen;
het niet lukt om een beroep te doen op het sociaal netwerk van leerling en/of ouders om het vervoer te verzorgen;
het niet mogelijk is om zelfstandig dan wel onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen;
het niet mogelijk is om zelfstandig dan wel onder begeleiding per fiets of e-bike naar de locatie te reizen;
er geen sprake is van een toegekende vervoersvoorziening in het kader van de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo);
is uitgesloten dat er een beroep kan worden gedaan op dagbestedingsvervoer. Dit moeten ouders kunnen aantonen.
**2..** De leerling toont bij het college aan dat hij of zij gebruik maakt van de aangeboden schoolvorm die wordt aangeboden door het samenwerkingsverband, gericht op begeleiding naar (een andere) vorm van onderwijs of een vorm van (beschutte) stage. Dit laatste kan door middel van een stage (waarbij alle bepalingen uit de verordening en artikel 2 van deze beleidsregels van toepassing zijn) of een vorm van dagbesteding.
Artikel 3.