Algemeen
In dit onderdeel wordt de uitvoering van het eigen onderzoek beschreven. Het eigen onderzoek is een vast onderdeel van de Bibob-toets. Bij de uitvoering van het eigen onderzoek, maakt het bestuursorgaan/de gemeente in eerste aanleg gebruik van alle relevante gegevens uit haar eigen informatiehuishouding. Ook kan hij gebruik maken van de relevante informatie die voor het orgaan beschikbaar is in zogenaamde open en half open bronnen.
De beschikbaarheid van relevante informatie in de zogenaamde gesloten bronnen is door de onderliggende regelgeving beperkt. Wel heeft het bestuursorgaan (per 1 januari 2013) een ruimere bevoegdheid tot het handelsregister van de Kamer van Koophandel en het Justitieel Documentatie Systeem gekregen. Met de uitbreiding van de Wet Bibob per 1 augustus 2020 heeft het bevoegde bestuursorgaan toegang tot meer justitiële gegevens. Niet meer enkel de gegevens van de betrokkene en (indirecte) bestuurders, maar ook van een aantal categorieën derden (artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b. jo. 15, tweede lid, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens). Zie voor een nadere toelichting onderdeel 2.2.3. van deze toelichting.
De RIEC’s zijn bevoegd om het volledige eigen onderzoeksdossier als ook een daarop gebaseerd adviesrapport van het Bureau in te zien. Op die manier wordt hun ondersteunende en coördinerende rol naar bestuursorganen/de rechtspersonen met een overheidstaak bij de uitvoering van de Bibob-wetgeving, nadrukkelijk versterkt. Het RIEC kan de eigen onderzoeksfase van het bestuursorgaan/de gemeente versterken door het verstrekken van relevante informatie, die afkomstig is van de partners in het RIEC-samenwerkingsverband. Ook kan het RIEC adviseren om in concrete gevallen wel/niet over te gaan tot het doen van een adviesverzoek bij het Bureau.
Als het bestuursorgaan/de gemeente een adviesrapport van het Bureau heeft ontvangen, rust daar voor dit orgaan een vergewisplicht op. In de wetswijziging is voorzien in de mogelijkheid om dit adviesrapport daartoe voor te leggen aan de leden van het lokale driehoeksoverleg.
De beslissing aan het einde van een Bibob-toets blijft uiteindelijk een zelfstandige bevoegdheid voor het bestuursorgaan, waarbij hij, in geval van weigering dan wel intrekking, zijn besluit zorgvuldig moet motiveren.
Bibob-onderzoek
Aanvraag (buiten behandeling stellen)
Bij een weigering om de Bibob-vragenformulieren volledig ingevuld te retourneren, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag voor een beschikking aan te vullen. Een weigering om de gevraagde extra informatie aan te leveren, dan wel onvolledig aan te leveren, leidt tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag voor een beschikking (artikel 4:5 van de Awb).
Eigen onderzoek (vast onderdeel van de Bibob-toets)
Het onderzoek door het bestuursorgaan/de gemeente naar het zich voordoen van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet bestaat uit:
het beoordelen van de aanvraag tot het verlenen van een beschikking dan wel het beoordelen van een reeds verleende beschikking of het aangaan van een transactie of een opdracht en in dat kader overgelegde gegevens, mede aan de hand van bij het bestuursorgaan/de gemeente bekende feiten en omstandigheden, alsmede aan de hand van de ingevulde Indicatorenlijst(en);
het verzamelen, bewerken en analyseren van informatie die, al dan niet via de gegevens zoals vermeld in het Bibob-vragenformulier en bijbehorende bijlagen, is verstrekt door de betrokkene en de gegevens die zijn verkregen uit informatiebronnen die het bestuursorgaan/de gemeente volgens de wet kan raadplegen.
Het bestuursorgaan/de gemeente kan zich bij het onderzoek laten ondersteunen door het RIEC.
Als het hierboven beschreven onderzoek onvoldoende uitsluitsel geeft over de mate van gevaar dat de in artikel 3 van de wet bedoelde feiten zich zullen voordoen, wordt een advies als bedoeld in artikel 9 van de wet ingewonnen bij het Bureau.
Het voornemen om een advies te vragen aan het Bureau wordt gemotiveerd. Het Bureau kan een adviesaanvraag buiten behandeling laten als het bestuursorgaan onvoldoende eigen onderzoek heeft verricht. Zie artikel 9, vijfde lid, van de Wet Bibob. Hieruit blijkt dat het eigen onderzoek door bestuursorganen erg belangrijk is
Informatieplicht
Het bestuursorgaan/de gemeente informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau. Dit gebeurt via een notificatiebrief. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31 jo. artikel 15 van de wet (geldt alleen voor beschikkingen). Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Bureau.
In geval een van het Bureau ontvangen adviesverzoek leidt tot het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport ter hand gesteld. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de wet.
Adviestermijn
Als het bestuursorgaan een advies aanvraagt bij het Bureau wordt, op grond van artikel 31 van de wet, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen. Met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15, eerste lid, van de wet.
Als het Bureau het advies niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om, op grond van artikel 15, derde lid, van de wet, de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel 15, derde lid, van de wet.
Het bestuursorgaan informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het vorige onderdeel.
De verlenging van de adviestermijn van het Bureau, alsmede eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau in gevallen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet, leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de aanvraag van de beschikking.
Beslissing
Het bestuursorgaan/de gemeente gaat over tot een negatieve beslissing op de aanvraag van de beschikking dan wel inschrijving op een overheidsopdracht, dan wel intrekking van een reeds verleende beschikking, als uit het eigen onderzoek en een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt dat er sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet. Daarbij zal in geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, het geconstateerde ernstig gevaar dienen als versterking van één of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012.
Als het bestuursorgaan/de gemeente voornemens is negatief te beslissen op de aanvraag van de beschikking dan wel inschrijving op een overheidsopdracht op grond van de wet, dan wel een reeds verleende beschikking in te trekken, wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen een zienswijze in te brengen.
Een door het bestuursorgaan op grond van de wet genomen negatief besluit op de aanvraag voor een beschikking, is voor bezwaar en beroep vatbaar.
Het bestuursorgaan/de gemeente, die een advies van het Bureau als bedoeld in de wet ontvangt, kan dit advies gedurende vijf jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.
Bijlage 2: Stappenplan eigen onderzoek
In de in deze beleidslijn bepaalde gevallen moet betrokkene, naast de gebruikelijke aanvraagformulieren, de Bibob-vragenformulieren invullen en inleveren bij het bestuursorgaan. Daarbij moeten ook de documenten worden gevoegd, die in deze vragenformulieren zijn vermeld en/of bij de uitreiking van de formulieren door of namens het bestuursorgaan zijn genoemd. De Bibob-vragenformulieren bevatten in elk geval de in artikel 7a, tweede lid, van de Wet Bibob genoemde vragen en daarnaast aanvullende vragen, die het bestuursorgaan zo goed mogelijk in staat stellen om het eigen onderzoek te kunnen verrichten. Deze stappen gelden grotendeels ook voor de rechtspersonen met een overheidstaak.
In geval de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe beschikking, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van de aanvraag hiervoor.
Voordat het eigen onderzoek wordt gestart naar het zich voordoen van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet, wordt een aanvraag in eerste instantie beoordeeld conform de bepalingen van de Awb en de reguliere weigeringsgronden vanuit de onderliggende regelgeving van de desbetreffende beschikking. Het eigen onderzoek van het bestuursorgaan naar het zich voordoen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet, bestaat uit de onderstaande (tweetal) stappen. De stappen zijn, waar mogelijk, ook van toepassing op de gemeente.
Stap 1
Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:
de door de aanvrager/houder van de beschikking aangereikte informatie/documenten bij de Bibob-vragenformulier(en) (inclusief bijlagen) en de door hem/haar daarbij aangeleverde documenten;
eventuele extra, op verzoek van het bevoegd gezag, door aanvrager / houder overlegde documenten of informatie;
open-bronnen-onderzoek en half-open-bronnen-onderzoek (zoals internetbronnen, Kamer van Koophandel, Kadaster etc). Daarnaast heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid politie-en justitie-informatie op te vragen. Met de uitbreiding van de Wet Bibob per 1 augustus 2020 heeft het bevoegde bestuursorgaan toegang tot meer justitiële gegevens. Niet meer enkel de gegevens van de betrokkene en (indirecte) bestuurders, maar ook van een aantal categorieën derden (artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b. jo. 15, tweede lid, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens). Verder mag het bestuursorgaan ten behoeve van het eigen onderzoek in een concreet geval het handelsregister van de Kamer van Koophandel op naam van een natuurlijk persoon bevragen. Dat maakt een efficiëntere bevraging van het handelsregister mogelijk. Door een wijziging van het Besluit controle rechtspersonen kunnen bestuursorganen ook informatie opvragen over rechtspersonen bij de afdeling TRACK van Justis. Die afdeling verschaft informatie over bepaalde natuurlijke of rechtspersonen in de vorm van een netwerktekening. In deze netwerktekening worden de onderlinge relevante relaties weergegeven tussen de bevraagde natuurlijke of rechtspersonen en de daarbij betrokken personen en bedrijven. Ook worden de relevante faillissementen en ontbindingen opgenomen. De gegevens die in de netwerktekening worden verwerkt zijn afkomstig uit het handelsregister, Brp (Basisregistratie personen), CIR en openbare bestanden.
Op grond van artikel 11a van de Wet Bibob kan een bestuursorgaan het Bureau vragen of over de betrokkene de afgelopen twee jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen. Is dat het geval, dan bericht het Bureau over het type beschikking of aanbesteding, aan wie het advies is uitgebracht of ten behoeve van wie de adviesaanvraag in behandeling is genomen. Als een advies is uitgebracht, meldt het Bureau Bibob de conclusie van het advies. De gegevens die door het Bureau worden verstrekt kunnen een indicatie zijn voor het starten van een Bibob‑onderzoek. Daarbij moet worden benadrukt dat deze informatie als zodanig onvoldoende is om tot een weigering of intrekking over te gaan. Door het Bureau is een standaard ‘Verzoekformulier artikel 11a bericht’ opgesteld.
De Bibob-gronden vormen een aanvulling op de reeds bestaande mogelijkheden om (een aanvraag voor) een beschikking te weigeren of in te trekken. Het bestuursorgaan zal echter altijd eerst de bestaande weigerings- en intrekkingsgronden onderzoeken en, zo mogelijk, toepassen.
Wanneer het Bibob-vragenformulier niet volledig wordt ingevuld, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb (mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen) buiten behandeling gesteld. Een weigering om gevraagde extra informatie aan te leveren, dan wel onvolledig aan te leveren leidt tot het buiten behandeling stellen van de nieuwe aanvraag, dan wel de mogelijkheid tot het intrekken van de reeds verstrekte vergunning of andere beschikking. De intrekking van de beschikking vindt op grond van artikel 4 jo. artikel 3 van de wet plaats.
RIEC
Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de informatiepositie van bestuursorganen/rechtspersonen met een overheidstaak versterkt worden vanuit het RIEC. Het RIEC kan in concrete onderzoeken namens het bestuursorgaan/de gemeente de benodigde persoonsgegevens van de betrokkene(n) en andere informatie verzamelen. Het RIEC kan ook het bestuursorgaan/de gemeente ondersteunen met de interpretatie van de informatie en deze organen van een advies voorzien.
Stap 2
Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als hiervoor genoemd, kan een advies bij het Bureau worden gevraagd als:
na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of daarmee in verband te brengen betrokkenen, de financier van de betreffende activiteiten en/of onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd;
na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur van aan de uitvoering van de beschikking te verbinden onderneming(en);
na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking te verbinden activiteiten;
de officier van justitie of het Bureau het bestuursorgaan /de gemeente de tip geeft om in een bepaalde zaak een Bibob-advies aan te vragen.
Indicatorenlijsten
Een handig aanvullend instrument voor stap 2 is de Indicatorenlijst openbare inrichtingen van de Dienst Justis van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Deze indicatorenlijst is geschikt voor intern gebruik bij het bestuursorgaan om te bepalen of het zinvol is om een Bibob-advies aan te vragen ten aanzien van de vergunninghouder of -aanvrager van een openbare inrichting.
De indicatoren in de indicatorenlijst openbare inrichtingen zijn opgesteld aan de hand van expertmeetings met Bibob-experts, branchespecialisten en vergunningverleners van bestuursorganen. De indicatoren hebben onder andere betrekking op de bedrijfsstructuur, het financiële aspect van de onderneming, de aanvrager en aanwijzingen van (betrokkenheid bij) criminaliteit. Ten slotte is er ook een categorie ‘overig’. Op deze wijze komen verschillende aspecten van de openbare inrichting en de vergunninghouder of -aanvrager in beeld.
Dienst Justis heeft ook indicatorenlijsten voor de milieubranche en subsidies ontwikkeld en vastgesteld.
De indicatorenlijst is een hulpmiddel om de integriteit van de betrokken partij te beoordelen. Door de afzonderlijke indicatoren te bekijken kan de behandelend ambtenaar een breed beeld krijgen van de omstandigheden rondom (de aanvraag) om een beschikking. Het is echter op voorhand niet eenduidig te zeggen of het voldoen aan één of meer indicatoren voldoende is om een Bibob-advies bij het Bureau aan te vragen. Dit kan per aanvraag verschillen. De beslissing om over te gaan tot een Bibob-adviesaanvraag is dus het resultaat van de integrale afweging van de behandelend ambtenaar, in overleg met de burgemeester en de medewerker(s) die een vergunning-, ontheffing-, subsidieaanvraag of aanbesteding behandelt.
Een toetsing aan de Wet Bibob met behulp van een advies van het Bureau geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Bij deze zware inbreuk op de privacy moet het bestuursorgaan/de gemeente de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen.
Deze eisen brengen mee dat het bestuursorgaan/de gemeente eerst, zoals hierboven is uitgewerkt, gebruik moet maken van de eigen instrumenten. Voorts moet het vragen van een advies evenredig zijn, gelet op de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten.
De adviesaanvraag bij het Bureau is geen beschikking in de zin van de Awb. Hiertegen staat derhalve geen bezwaar en beroep open. Wel is het de aanvrager van een beschikking te allen tijde toegestaan om zijn aanvraag in te trekken.
Uitkomsten onderzoek
Als het bestuursorgaan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de wet genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een 'ernstig gevaar' als bedoeld in de wet, kan het de vergunning/de ontheffing weigeren, intrekken en in bepaalde gevallen schorsen4Zie bijvoorbeeld artikel 32 van de Alcoholwet.. Hetzelfde geldt voor subsidies.
Als er duidelijke risicofactoren zijn, maar het bestuursorgaan beschikt niet over voldoende informatie, dan kan een Bibob-advies worden aangevraagd bij het Bureau.
Het wegen van alle feiten en omstandigheden in een dossier om te bepalen of er sprake is van een ernstige mate van gevaar is niet eenvoudig. Bij twijfel kan het bestuursorgaan contact opnemen met het Bureau om te bespreken of het verstandig is een Bibob-advies aan te vragen.
In tegenstelling tot de beschikkingen, verstrekt de Wet Bibob geen extra weigeringsgrond bij aanbestedingen. De reden hiervoor is, dat het binnen deze sector in beginsel gaat om een gesloten stelsel van selectie- en gunningscriteria. De uitkomst van een Bibob-toets kan dan ook slechts gelden als versterking voor één van deze criteria.
Bij een 'mindere mate van gevaar' dat de (aangevraagde) beschikking wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten en witwaspraktijken kan het bestuursorgaan extra voorschriften aan de beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. De voorschriften moeten wel Bibob-gerelateerd zijn. Het verbinden van voorschriften aan een beschikking is per 1 augustus 2020 ook mogelijk bij een ernstig gevaar, waarbij weigering of intrekking niet proportioneel is.
Bijlage 3: Risicocategorieën
Risicocategorieën waarbij de gemeente Gorinchem de Wet Bibob kan toepassen:
hotels;
kamerverhuurbedrijven (alsmede omgevingsvergunningen voor kamerverhuur- en/ of logiespanden waarbij sprake is van vijf of meer kamers);
omzettingsvergunningen kamerverhuur;
pensions;
recreatieparken en jachthavens;
horecabedrijven;
coffeeshops;
shisha-lounges;
prostitutie- en seksbedrijven, escortbedrijven, seksbioscopen, erotische massagesalons;
sekswinkels;
vechtsportgala’s (of vergelijkbare evenementen);
ride outs motorclubs (of vergelijkbare evenementen);
smartshops/ Headshops;
speelautomatenhallen/ Gamecenters;
afvalbewerkings- en -verwerkingsbedrijven;
afvalrecyclingbedrijven;
inrichtingen voor het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks, tankauto's, tank- of bulkcontainers ;
autohandel (verkoop en verhuur);
sloopbedrijven;
autodemontagebedrijven;
vuurwerkbranche;
wellnesscentra/zonnestudio’s;
kappers;
nagelstudio’s;
tattooshops;
fitnessbedrijven;
sporthallen/complexen;
religieuze instellingen;
scholen;
energieproducenten (w.o. vergisters, windmolens etc.);
zonneparken;
zorgbureaus/ zorgaanbieders;
reïntegratiebedrijven en/ of activiteiten;
kavelverkoop;
verhuur gemeentelijke vastgoed;
verkoop (voormalige) overheidsgebouwen;
transformatie kantoorpanden;
overheidsopdrachten boven de € 500.000.
Bovenstaande opsomming van risicocategorieën is niet-limitatief, maar geeft een indicatie van mogelijke risicocategorieën. Deze opsomming kan aangepast worden, indien ontwikkelingen hiertoe aanleiding geven.
Aangewezen risico-gebieden:
PM