Naar hoofdinhoud
1.. De aanvangshuurprijs voor een sociale huurwoning bedraagt maximaal het bedrag bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag. 2.. De aanvangshuurprijs voor een middeldure huurwoning bedraagt tenminste het bedrag bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag en ten hoogste de maximaal redelijk huur voor een zelfstandige woning met maximaal 185 punten volgens het woningwaarderingsstelsel. 3.. De in het eerste lid bedoelde aanvangshuurprijs en de in het tweede lid bedoelde minimale aanvangshuurprijs worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 27, eerste lid van de Wet op de huurtoeslag. 4.. De in het tweede lid bedoelde maximale aanvangshuurprijs wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig de huurprijstabel van de huurcommissie. 5.. De huurprijs van een sociale huurwoning dient, gedurende de instandhoudingstermijn zoals genoemd in artikel 4, bij elke nieuwe verhuring onder het maximale bedrag bedoeld in het eerste lid van dit artikel te blijven. 6.. De hoogte van de huurprijs van middeldure huurwoningen dient, gedurende de instandhoudingstermijn zoals genoemd in artikel 4, te blijven binnen de bandbreedte als bedoeld in het tweede lid van dit artikel. 7.. De huurprijs voor middeldure en sociale huurwoningen mag nooit meer zijn dan de maximaal redelijke huur volgens het puntensysteem in het woningwaarderingsstelsel; 8.. Voor sociale huurwoningen geldt de maximale huurverhoging, zoals jaarlijks door de Rijksoverheid wordt bepaald. 9.. Met inachtname van de leden 6. en 7. mogen de huurprijzen van middeldure huurwoningen jaarlijks worden geïndexeerd. De indexering start niet eerder dan op 1 januari van het jaar na het jaar waarin de eerste verhuur aan verhuurder plaatsvond. De verhoging is overeenkomstig de consumentenprijsindex (alle huishoudens) van het Centraal Bureau voor de Statistiek, verhoogd met ten hoogste 1%.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel