Burgemeester en wethouders kunnen in aanvulling op het bepaalde in artikel 26 van de wet, een vergunning als bedoeld in de artikel 21 van de wet intrekken:
indien de woning niet in goede staat van onderhoud wordt gehouden;
indien er sprake is van overlast waardoor het woon- en leefklimaat voor omliggende woningen niet langer aanvaardbaar is en die niet kan worden opgelost door het stellen van nadere voorwaarden en voorschriften;
indien de feitelijke situatie of het feitelijk gebruik niet meer in overeenstemming is met de vergunde situatie.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 1.
Artikel 7.