In situaties van een ordeverstoring, die concreet voorzienbaar is en een actuele bedreiging vormt voor een ordelijke gang van zaken, biedt de Gemeentewet in eerste instantie uitkomst.
Artikel 174 van de Gemeentewet kan ingezet worden bij gebouwen die voor publiek open zijn, meest voorkomend voorbeeld is een horeca-inrichting.
Artikel 174a van de Gemeentewet is bedoeld voor de sluiting van woningen of gebouwen die niet voor het publiek toegankelijk zijn.
Sluiting op grond van de Gemeentewet kan echter in beginsel slechts voor een beperkte periode en bij (een dreiging van) een ernstige verstoring van de openbare orde worden ingezet. De bevoegdheid om voor publiek openstaande gebouwen, woningen en niet voor publiek toegankelijke lokalen te sluiten is ingrijpend en daarom een uiterst middel. Waar mogelijk moeten eerst andere mogelijkheden overwogen worden en (eventueel) toegepast worden om de criminele activiteiten en/of de overlast te beëindigen. Pas als dat niet mogelijk is of onvoldoende effect sorteert, kan tot sluiting worden overgegaan.
Artikel 2:50a Algemene plaatselijke verordening
Als het wenselijk is dat een voor publiek openstaand gebouw voor langere tijd gesloten blijft of als een sluiting op grond van artikel 174 van de Gemeentewet niet mogelijk is, kan artikel 2:50a van de Algemene plaatselijke verordening Nieuwegein (hierna: “Apv”) uitkomst bieden.
Artikel 2:50a van de Apv kan alleen worden ingezet bij voor publiek openstaande gebouwen en kan niet worden ingezet bij o.a. woningen. Voor woningen en niet voor publiek toegankelijke gebouwen geldt artikel 174a van de Gemeentewet bij verstoringen van de openbare orde dan wel indien ernstige vrees daartoe bestaat.
Als het een situatie betreft waar hoofdstuk 3 of artikel 13b van de Opiumwet al in voorziet, dus bijv. bij de vondst van verdovende middelen, dan kan sluiting op grond van artikel 2:50a niet worden toegepast (zesde lid).
Op grond van artikel 2:50a Apv kunnen voor publiek openstaande gebouwen ook worden gesloten als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gevallen van onevenredige, aanhoudende of ontoelaatbare overlast. Deze overlast heeft tot gevolg dat het woon-, werk- en leefklimaat in de omgeving van het betreffende pand te zwaar onder druk staat.
Onevenredige of ontoelaatbare overlast moet los gezien worden van de effecten die redelijkerwijs van een voor publiek openstaand gebouw(en) mogen worden verwacht, zoals het geluid van het op een normale wijze komen en gaan van bezoekers, al dan niet gebruikmakend van (gemotoriseerde) vervoermiddelen. Met de aanwezigheid van bepaalde bedrijven is in planologisch opzicht immers al rekening gehouden. Op dit punt kunnen vaak maatregelen worden opgenomen via het stellen van een nadere eis aan de vergunning voor het bedrijf op grond van de Apv dan wel andere regelgeving zoals milieuregelgeving (zoals maatwerkvoorschriften bijvoorbeeld).
De vraag of er sprake is van een te zware of onevenredige last kan van geval tot geval verschillen en tevens (mede) afhankelijk zijn van de personen die de overlast ervaren. Ontoelaatbare of onevenredige overlast is in veel gevallen afkomstig van komende en vertrekkende bezoekers. Voorbeelden van factoren die meewegen zijn o.a. het hard dichtslaan van portieren, geschreeuw, claxonneren, wegscheuren van gemotoriseerde voertuigen, geruzie, (licht) handgemeen, het bij herhaling braken of wildplassen in de omgeving van het gebouw. Daarnaast kan er sprake zijn van intimidatie van de (buurt-)bewoners en andere derden.
Bij meldingen van overlast is het van belang een zo goed mogelijk met feitelijk beeld te hebben van de situatie en de gebeurtenissen. Voordat er overgegaan kan worden tot sluiting moet het volgende in ieder geval duidelijk zijn:
Er moet sprake zijn van effecten op de woon-, werk- en leefomgeving die (gelet op de situering van het gebouw en het karakter van de omgeving) in het maatschappelijk verkeer als ontoelaatbaar of onevenredig worden gekwalificeerd.
De overlast moet aanhoudend zijn. Het gaat niet om incidentele gevallen van overlast.
De overlast moet te herleiden zijn tot het gebouw waarop de klachten betrekking hebben.
De overlast moet geobjectiveerd zijn.
Bij bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld ook worden gedacht aan de sluipende impact van ondermijnende criminaliteit. In gevallen dat de activiteiten (nog) niet kunnen of zijn vastgesteld zoals bepaald in hoofdstuk 3, maar wel ernstige vermoedens zijn dat naar het oordeel van de burgemeester een gevaar voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid teweeg wordt gebracht, kan sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Dit hoeft namelijk niet altijd zichtbaar te zijn of te leiden tot directe (onevenredige) overlast of hinder voor de woon-of leefomgeving. Ogenschijnlijk lijkt het soms juist dat men er geen (over)last van ondervindt. Echter, de negatieve invloed die deze criminele (ondermijnende) activiteiten hebben op de woon, werk- en leefomgeving en de schadelijke effecten die deze activiteiten hebben op de samenleving als geheel en de directe omgeving in het bijzonder, is wel degelijk onzichtbaar aanwezig. Het vormt daarmee dan ook een gevaar voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid. Het kan in sommige gevallen juist doordat het ‘stil’ en ‘onopvallend’ lijkt, gepaard gaan met een onveilig gevoel voor (buurt)bewoners en derden in de woon- en leefomgeving. Indien met een feitelijk beeld van de situatie en omstandigheden, welke gekwalificeerd en geobjectiveerd kan worden met bijvoorbeeld onderbouwende politie informatie en/of verrichtte constateringen/waarnemingen van toezichthouders of buitengewoon opsporingsambtenaren, kan er sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan sluiting mogelijk is.
Artikel 2.