In deze beleidsregel zijn de meest voorkomende ontwikkelingen benoemd, zodat op voorhand duidelijk is in welke gevallen meegewerkt zou kunnen worden. De voorwaarden waaraan de ontwikkeling specifiek moet voldoen, zijn beschreven in de beleidsregel en daarbij behorende bijlagen. Hierbij is een verdeling gemaakt naar drie verschillende categorieën, gebaseerd op de invloed op de omgeving:
Categorie 1. Ontwikkelingen met een ondergeschikte invloed, ruimtelijk in functioneel, die aansluiten op de hoofdfunctie.
Categorie 2. Ontwikkelingen met een beperkte invloed, ruimtelijk en functioneel, die aansluiten op de hoofdfunctie.
Categorie 3. Ontwikkelingen met een grotere invloed, ruimtelijk en functioneel, die leiden tot een aanpassing van de hoofdfunctie.
Op basis van deze indeling is ook aan te geven welke procedure op basis van de huidige wet- en regelgeving (Wro, Wabo) de geëigende procedure is bij medewerking aan een verzoek. Dat is de volgende indeling:
Categorie 1. Medewerking via omgevingsvergunning met afwijking op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2o Wabo (buitenplanse (kruimel)afwijking, geen (extra) procedure).
Categorie 2. Op basis van het raadsbesluit van 21 september 2017, inhoudende het aanwijzen van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist (artikel 6.5, lid 3 Besluit omgevingsrecht), kan medewerking plaats vinden via een omgevingsvergunning met afwijking op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3o Wabo (buitenplans afwijken, uitgebreide procedure).
Categorie 3. Medewerking met een bestemmingsplan met vereenvoudigde behandeling bij voorbereiding en besluitvorming.
De ontwikkelingen die vallen onder de eerste categorie zullen binnen de reguliere procedure voor de omgevingsvergunning verleend worden. Deze plannen worden dus niet vertraagd doordat er een afwijking nodig is.
Voor de tweede en derde categorie zal bij de voorbereiding snel meegewerkt kunnen worden. Voorwaarde daarbij is natuurlijk wel dat de initiatiefnemer er voor zorgt dat zijn aanvraag volledig voldoet aan de gestelde voorwaarden voor medewerking aan de ontwikkeling. Dit houdt onder meer in dat bij de (definitieve) aanvraag een ruimtelijke onderbouwing gevoegd is die ingaat op de specifiek gestelde voorwaarden.
De derde categorie betreft een bestemmingsplan. De gemeenteraad is daarbij het bevoegde gezag om die vast te stellen. Bij de vaststelling van deze beleidsregel heeft de gemeenteraad besloten om bestemmingsplannen die voldoen aan de ontwikkelingen genoemd in deze beleidsregel eerder in de raad besproken worden. Dat houdt het volgende in.
Het college legt het ontwerpbestemmingsplan aan de raad voor, om deze als (definitief) bestemmingsplan vast te stellen, onder de voorwaarden dat:
er geen zienswijzen zijn ingediend;
er sprake is van ongewijzigde vaststelling.
Deze behandeling van het ontwerpbestemmingsplan in de gemeenteraad vindt in dezelfde periode plaats dan dat hetzelfde plan als ontwerp ter inzage ligt. Als er sprake is van een politiek bestuurlijk gevoelig bestemmingsplan, dan wordt het ontwerp pas ná raadsbehandeling ter inzage gelegd.
Zo kan de proceduretijd van het bestemmingsplan die voldoen aan de voorwaarden van ontwerp tot vaststelling aanzienlijk verkort worden.
Hoofdstuk 7.
Artikel 7.3.