De gemeente gaat bij de toetsing van een beperking uit van een structurele beperking. Hierbij gaat de gemeente uit van de in artikel 1 van de Verordening opgenomen kenmerken. Dat wil zeggen dat een leerling door een beperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, ook niet onder begeleiding. Een structurele beperking ziet zij als een beperking die langer duurt dan drie maanden. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op het vervoer.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.12