In het traject van ontgraven en definitief toepassen van de grond? dienen de nodige stappen doorlopen en vragen beantwoord te worden. De volgende stappen zijn te onderscheiden:
Stap 1: Zijn de ontgravingslocatie en de ontvangende bodem op de toepassings- locatie onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging?
Stap 2: Wat is de (verwachte) kwaliteit van de ontgraven grond? Zie par. 5.5.
Stap 3: Wat is de toepassingseis van de ontvangende bodem op de toepassings- locatie (zie par. 5.5) en zijn er voor de beoogde toepassing Gebiedspecifieke beleidsregels vastgesteld (zie par. 5.4). Dezelfde toepassingseis geldt ook voor een tijdelijke opslag voorafgaand aan de toepassing (zie par. 5.4.10).
Stap 4: Is er sprake van bijzondere omstandigheden (zie hoofdstuk 7).
Stap 5: Geldt er een meldingsplicht voor de voorgenomen ontgraving en/of toe- passing. Zie par. 8.2.3.
Hieronder zijn de onderscheiden stappen toegelicht.
Stap 1: Is de ontgravingslocatie onverdacht?
Voorafgaand aan een ontgraving dient een (historisch) vooronderzoek uitgevoerd te worden, zodat zo goed mogelijk van te voren ingeschat kan worden wat men kan verwachten qua kwaliteit van de grond, hoeveelheid bodemvreemd materiaal, asbestverdachtheid enz. Voor ontgravingen waarbij de bodemkwaliteitskaart (BKK) als bewijsmiddel wordt gebruikt voor het elders toepassen van de vrijkomende grond in het bodembeheergebied, kan volstaan worden met een beperkt vooronderzoek (puntbronnencheck). De resultaten van de puntbronnencheck moeten bij de melding Besluit bodemkwaliteit gevoegd worden (zie stap 5: Melden). Als aangetoond kan worden dat de locatie waar de grond vrijgekomen komt onverdacht is, dan kan de BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van de vrijkomende grond gebruikt worden. Als dit niet aangetoond kan worden, zal eerst onderzoek uitgevoerd moeten worden om verontreinigingen die een belemmeringen kunnen vormen voor de beoogde toepassing, uit te kunnen sluiten. Hoe het (historisch) onderzoek eruit moet zien en welke eisen gesteld worden aan het uitvoeren van een bodemonderzoek kun je vinden in par. 8.2.2.
PFAS (verdachtheid)
Specifiek voor PFAS verdachte locaties zijn:
Brandweer(oefen)locaties;
Locaties waar grote (chemische) branden hebben plaatsgevonden;
Vliegvelden;
Militaire (oefen)locaties;
Terreinen van BRZO-bedrijven;
Galvanische bedrijven;
Bedrijven die werken met blusschuim;
Terreinen met bekende bodemverontreiniging met PFAS;
(Voormalige) stortplaatsen;
RWZI’s/AWZI’s (slibvelden).
Er is helaas (nog) geen kaart beschikbaar waarop alle verdachte locaties zijn aangegeven.
Stap 2: Wat is de verwachte kwaliteit van de te ontgraven grond?
De te verwachten kwaliteit van de te ontgraven grond is aangegeven op de Ontgravingskaarten van de boven- en ondergrond. Voor het opstellen van de Ontgravingskaart zijn alleen bodemgegevens gebruikt van onverdachte locaties. De Ontgravingskaarten geven dan ook een verwachte algemene zone-kwaliteit aan. De bodemkwaliteitskaart kan daarom alleen als bewijsmiddel voor het toepassen van grond gebruikt worden als de grond aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte locatie. In tabel 5 van paragraaf 4.2, is de verwachte grondkwaliteit per zone weergegeven. De Ontgravingskaarten van de boven- en ondergrond zijn resp. opgenomen in bijlage 4B en 4C van deze Nota.
PFAS (ontgravingskwaliteit)
Voor PFAS dient de Ontgravingskaart PFAS van de provincie Utrecht geraadpleegd te worden (zie bijlage 4). IJsselstein is daarop ingedeeld in:
• Zone PFAS B2 (voor de bovengrond 0 – 0,5 m -mv);
• Zone PFAS O2 (voor de ondergrond 0,5 – 2 m -mv).
De ontgravingskwaliteit voor PFAS in de gemeente IJsselstein, voor resp. de boven- en de ondergrond, is aangegeven in de onderstaande tabellen. Van deze getallen mag men uitgaan bij het graven, als door middel van een (historisch) vooronderzoek uitgesloten is dat de ontgraving plaatsvindt op een PFAS-bronlocatie (zie stap 1).
Tabel 24: Ontgravingskwaliteit PFAS-zones IJsselstein
Stap 3: Welke eisen gelden er op de toepassingslocatie?
Op de Toepassingskaart wordt per onderscheiden zone/gebied aangegeven welke kwaliteit grond primair mag worden toegepast. De Toepassingskaart is opgenomen in bijlage 4D van deze Nota. Niet alle Gebiedsspecifieke beleidsregels kunnen op de Toepassingskaart worden weergegeven. Daarom zal bij elke toepassing nagegaan moeten worden of de voorgenomen toepassing ook voldoet aan de Gebiedsspecifieke eisen en voorwaarden die beschreven zijn in paragraaf 5.4 en 5.5. In paragraaf 5.4 is aangegeven welke Gebiedsspecifieke beleidsregels er gelden voor enkele niet-zone gerelateerde onderdelen. In paragraaf 5.5 is aangegeven voor welke zones er Gebiedsspecifieke eisen en voorwaarden gelden. Voor de onderstaande onderdelen zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels vastgesteld:
Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal (par. 5.4.1)
Toepassen van grond op gevoelige functies (par. 5.4.2)
Toepassen van lood-houdende grond in tuinen (par. 5.4.3).
Toepassen van grond op bedrijfs- en industrieterreinen (par. 5.4.4)
Uitwisselen van grond tussen bermen van (spoor)wegen (par. 5.4.5)
Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen (par. 5.4.6)
Ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering (par. 5.4.7)
Ontgraven van grond dieper dan 2 meter (par. 5.4.8)
Verspreiden van bagger op de landbodem (par. 5.4.9)
Tijdelijke opslag van grond en bagger (par. 5.4.10)
Er kunnen meerdere Gebiedsspecifieke beleidsregels voor een toepassing of locatie tegelijk gelden. De toepassing is alleen toegestaan als aan alle eisen voldaan wordt. Bij conflicterende regels geldt de strengste eis.
Let op:
In het Generieke kader is de hoofdregel voor het toepassen van grond in het relatief onbelaste buitengebied, dat er alleen klasse L/N-grond toegepast mag worden (de functie is namelijk leidend voor de toepassingseis). In het buitengebied komen echter ook percelen voor met een andere (minder gevoeligere) bodemfunctie dan landbouw/natuur (bijv. woonpercelen). Die percelen zijn echter, om praktische redenen, niet allemaal afzonderlijk ingetekend op de Bodemfunctieklassenkaart. Op percelen in het buitengebied met een andere functie dan moestuinen/volkstuinen, natuur of landbouw, mag klasse Wonen-grond in de bovengrond- en ondergrond toegepast worden, als in het vigerende bestemmingsplan is aangegeven dat de functie anders is dan moestuin/volkstuin, natuur of agrarische doeleinden.
PFAS (Toepassingseisen voor de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur) Hieronder wordt aangegeven welke kwaliteitseisen gelden voor PFAS bij het toepassen van grond in het buitengebied van IJsselstein. Raadpleeg de Bodemfunctieklassenkaart om te zien welke gebieden ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur.
Bovengrond (0 – 0,5 m -mv)
*) in zone PFAS B2 zijn gelegen: gemeente Vijfheerenlanden (oostelijk deel), Woerden, Utrecht (ten zuiden van de A12), Oudewater, Montfoort, IJsselstein. Voor de exacte grenzen van zone PFAS B2, wordt verwezen naar kaartbijlage 4F
VERKLARING
Ondergrond (0,5 – 2 m -mv)
*) in zone PFAS O2 zijn gelegen: gemeente Vijfheerenlanden (oostelijk deel) en alle overige gemeenten in de provincie Utrecht, m.u.v. de gemeente Lopik. Voor de exacte grenzen van zone PFAS O2, wordt verwezen naar kaartbijlage 4G
VERKLARING
De bovengenoemde toepassingseisen voor PFAS zijn gebaseerd op de volgende getallen:
Voor grond afkomstig uit dezelfde PFAS-zone als waarin IJsselstein ligt:
de P95 van de gemeten PFAS-gehalten in de PFAS-zone waarin IJsselstein gelegen is (Zone PFAS B2 voor de bovengrond en Zone PFAS O2 voor de ondergrond);
Voor grond afkomstig uit een andere PFAS-zone in de provincie Utrecht:
de P80 van de gemeten PFAS-gehalten in de PFAS-zone waarin IJsselstein gelegen is);
Voor grond afkomstig van buiten de provincie Utrecht:
de P50 (oftewel het gemiddelde) van de gemeten PFAS-gehalten in de PFAS- zone waarin IJsselstein gelegen is).
Mochten de bovengenoemde percentielwaarden een getal opleveren dat lager is dan de landelijke achtergrondwaarden voor PFAS uit het THK PFAS van 2 juli 2020, dan worden de landelijke achtergrondwaarden gebruikt als vervanging van de percentielwaarde.
PFAS (Toepassingseisen voor de bodemfunctieklasse Wonen en Industrie) Hieronder wordt aangegeven welke kwaliteitseisen gelden voor PFAS bij het toepassen van grond in het bebouwde gebied van IJsselstein. Raadpleeg de Bodemfunctieklassenkaart om te zien welke gebieden ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen en Industrie.
Bovengrond (0 – 0,5 m -mv) en ondergrond (0,5 – 2 m -mv)
*) uitgezonderd: moes- en volkstuinen, drinkwaterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden
VERKLARING
PFAS (Toepassingseisen voor gevoelige functies)
Voor PFAS worden de volgende functies als gevoelig aangemerkt:
Moes- en volkstuinen;
Drinkwaterwingebieden;
Grondwaterbeschermingsgebieden.
Voor de geldende kwaliteitseisen voor het toepassen van grond op moes- en volkstuinen en drinkwaterwingebieden wordt verwezen naar par. 5.4. Voor de kwaliteitseisen die gelden voor het toepassen van grond in grondwaterbeschermingsgebieden wordt verwezen tabel 24 onder Stap 2. De kwaliteitseisen voor het toepassen van grond zijn namelijk ook gebaseerd op de gemiddeld gemeten PFAS-gehalten van de betreffende zone. Deze is gelijk aan de ontgravingskwaliteit van de zone.
Tijdelijke opslag van grond en bagger voorafgaande aan de toepassing
Dezelfde Gebiedsspecifieke beleidsregel die geldt voor een voorgenomen toepassing, geldt ook voor een tijdelijke opslag voorafgaand aan de toepassing (zie par. 5.4.10).
Stap 4: Is er sprake van bijzondere omstandigheden?
Naast Gebiedsspecifieke eisen kunnen er ook bijzondere omstandigheden zijn die vragen om een andere aanpak of die vanuit een ander (wettelijk) kader beschermt zijn. Na het beoordelen van de toepassingseisen in stap 3, zal daarom door de initiatiefnemer of uitvoerder ook nagegaan moeten worden of er sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals beschreven in hoofdstuk 7 van deze Nota.
Stap 5: Moet er een melding gedaan worden?
Melding toepassing en tijdelijke opslag van grond en bagger
Melden van de toepassingen en tijdelijke opslagen van grond en bagger is geregeld in het Besluit bodemkwaliteit (art. 42, lid 1). Voorafgaand aan de toepassing is een melding bij het Landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit) noodzakelijk. Dit moet minimaal 5 werkdagen voordat de daadwerkelijke toepassing plaatsvindt. Het is de bedoeling dat de toepasser eerst zelf nagaat of de beoogde toepassing toegestaan is volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit en bovendien niet in strijd is met de Gebiedsspecifieke beleidsregels uit deze Nota. Wanneer de toepasser tot de conclusie komt dat de toepassing in strijd is met het Besluit of met deze Nota dan mag de grond niet op de voorgenomen wijze toegepast worden. Een melding indienen is dan niet zinvol.
De volgende 3 typen meldingen zijn van belang in het kader van het grondverzet:
Werk schone grond
Toepassing partij
Tijdelijke opslag
Soms wordt, vaak om begrijpelijke redenen, het verkeerde meldingtype gebruikt of zijn niet alle vereiste documenten bijgevoegd. Om vertraging of het buiten behandeling laten van een melding te voorkomen, is het van belang om een juiste en volledige melding in te dienen. De typen meldingen worden hierna verder toegelicht.
Melding Werk schone grond:
Dit type melding is uitsluitend bedoeld voor het toepassen van klasse L/N-grond. Bij dit type melding zal (ook) een milieuhygiënische verklaring gevoegd moeten worden op basis waarvan de instantie die de meldingen behandeld (ODRU), kan vaststellen of het inderdaad om klasse L/N-grond gaat. Soms zijn meerdere bewijsmiddelen nodig om dit aan te kunnen tonen en is een partijkeuring niet voldoende, omdat hierbij vaak alleen de stoffen uit het standaardpakket grond zijn onderzocht. Meer informatie hierover is te vinden in bijlage 2, onder de definitie van schone grond.
Melding Toepassing partij:
Dit type melding is bedoeld voor het toepassen van klasse Wonen-grond of klasse Industrie- grond.
Melding Tijdelijke opslag:
Dit type melding dient gebruikt te worden als men grond tijdelijk (maximaal 3 jaar) opslaat, voorafgaande aan een definitieve toepassing. Deze toepassing moet nuttig en functioneel zijn. Om dit voorafgaand aan de tijdelijke opslag te kunnen toetsen, dient bij de melding tevens de eindbestemming te worden aangegeven. In paragraaf 5.4.10 is aangegeven welke vormen van tijdelijke opslag in het Besluit bodemkwaliteit onderscheiden worden en welke eisen hier aan gesteld worden. Voor een tijdelijke opslag gelden dezelfde Gebiedsspecifieke beleidsregels als die eventueel gelden voor een voorgenomen toepassing op de eindbestemming. Bij een melding van een tijdelijke opslag moet de verwachte duur van de opslag en de eindbestemming worden aangegeven (zie par. 5.4.10).
Bij de melding te verstrekken informatie
Bij een melding Besluit bodemkwaliteit, dient, ongeacht het type melding, de volgende informatie door de melder verstrekt te worden:
Het resultaat van de uitgevoerde puntbronnencheck (zie stap 1 en par. 8.2.2);
Een erkend bewijsmiddel waaruit de kwaliteit van de grond blijkt. Op basis daarvan kan de ODRU vaststellen of de toepassing of tijdelijke opslag toegestaan is.
Bij het gebruik van de BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van grond dient bovendien aangegeven te worden:
Welke Ontgravingskaart is gebruikt (onder- of bovengrond);
Uit welke zone de grond vrijgekomen is (zie Bodemzoneringskaart in bijlage 4A en voor PFAS bijlage 4F en 4G van deze Nota);
Aanduiding van de aard van de voorgenomen toepassing: op of in de bodem, laagdikte en diepte.
Uitzonderingen op de meldplicht
De meldingsplicht uit het Besluit bodemkwaliteit geldt voor alle toepassingen van grond en baggerspecie, met uitzondering van:
Het direct verspreiden van ongerijpte bagger op aangrenzende percelen. Wel dient voldaan te worden aan de zorgplicht bodem (zie paragraaf 6.4.1) en/of de Gebiedsspecifieke voorwaarden die voor dit onderdeel opgenomen zijn (zie paragraaf 5.4.9);
Toepassing van grond of baggerspecie door particulieren (dit betreft vaak kleine hoeveelheden);
Het toepassen van grond of baggerspecie binnen gronden die horen bij een landbouwbedrijf, als het perceel waarop de grond of baggerspecie wordt toegepast een zelfde of vergelijkbare teelt heeft dan het perceel waar de grond of baggerspecie vrijkomt;
Het toepassen van klasse L/N-grond in een volume kleiner dan 50 m3. Op verzoek (bijvoorbeeld bij een veldwerkcontrole) moet de toepasser aan kunnen tonen dat de grond inderdaad in de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt.
Verantwoordelijkheid bij de toepassing
De toepasser blijft te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de toepassing, ook al komt er vanuit het bevoegd gezag geen reactie op een ingediende melding. Bovendien wordt de toepasser verantwoordelijk gehouden voor het indienen van de melding, ook al wordt deze ingediend door een andere partij of rechtsperspersoon. In het Besluit bodemkwaliteit is namelijk niet expliciet aangegeven wie de melding moet verrichten.
De opdrachtgever voor de werkzaamheden en de uitvoerder van de werkzaamheden zijn beiden verantwoordelijk voor het doorlopen van de bovengenoemde stappen. De ODRU voert namens de gemeente de taken uit die in het Besluit bodemkwaliteit als bevoegdheid van gemeenten worden aangeduid.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.3
Stappenschema grondverzet
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein houdende regels omtrent bodembeheer