In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten voor het opstellen van het plan van scholen nader toegelicht.
Procedure
Het plan bestrijkt drie achtereenvolgende schooljaren, volgend op het jaar van vaststelling. Het betreft voor dit Plan van Scholen de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025. Het vermeldt welke scholen in de planperiode wel of niet voor eerste bekostiging in aanmerking komen en waarom. De gemeenteraad stelt het plan vast. Na vaststelling door de gemeenteraad gaat het plan naar het Ministerie van OCW voor beoordeling. De Minister besluit vóór 1 januari 2022. Als de gemeenteraad een school niet in het plan opneemt kunnen schoolbesturen daartegen beroep aantekenen bij de Minister.
Overgang naar Meer Ruimte voor nieuwe Scholen
Voor de scholen die in het Plan van Scholen 2021-2024 zijn opgenomen maar waarvan het onderwijs nog niet is gestart, geldt het overgangsrecht zoals opgenomen in artikel 194 e van de Wpo en nader uitgewerkt in de Regeling voorzieningenplanning primair onderwijs1Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 augustus 2020, nr. PO/17898051, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het primair onderwijs (Regeling voorzieningenplanning po 2021). Deze scholen worden op grond van dit overgangsrecht niet als herhalingsaanvraag opgenomen in dit voorliggend plan. Zie verder hoofdstuk 6.
Beleidsregels Plan van Scholen Amsterdam
Op 20 december 2017 heeft de gemeenteraad Beleidsregels Plan van Scholen Amsterdam, hierna beleidsregels, vastgesteld (Gemeenteblad 30 januari 2018, nr. 19506).
Op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de aan hem toekomende bevoegdheid. Een beleidsregel geeft aan hoe het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid, in dit geval het beoordelen van een verzoek tot opneming van een school in het plan van scholen, toepast. Door deze beleidsregel is ieder schoolbestuur voordat hij een aanvraag indient, op de hoogte van de wijze waarop de gemeenteraad de verzoeken beoordeelt. Daarmee kan een schoolbestuur bij het opstellen van zijn verzoek rekening houden.
De uitgangspunten in de beleidsregels zijn niet nieuw. Ze worden al sinds 2008 door de gemeenteraad gehanteerd. Het belangrijkste criterium waaraan de aanvraag wordt getoetst is de zogenoemde 3 kilometergrens voor het gekozen voedingsgebied. De grootte van de stad, het aantal inwoners en daarmee samenhangende infrastructuur, het grote en diverse scholenaanbod en de voorkeuren van ouders voor scholen dicht bij de woning, maken dat een keuze voor een groter voedingsgebied dan 3 kilometer rondom de gewenste vestigingsplaats voor een nieuw te stichten school in Amsterdam doorgaans niet realistisch is.
Voedingsgebied
Het aanvragend schoolbestuur bepaalt zelf wat het voedingsgebied van de verlangde school is. De jurisprudentie geeft aan dat voor het voedingsgebied wel de eis van redelijkheid geldt, mede vanwege de gemiddeld beperkte reisbereidheid van ouders. Zoals hiervoor aangegeven toetst de gemeenteraad een verzoek van een schoolbestuur aan het in de beleidsregels opgenomen criterium van de zogenoemde 3 kilometergrens. Als een schoolbestuur kan aantonen dat voor zijn school een groter voedingsgebied met een straal van meer dan 3 kilometer hemelsbreed vanaf de gewenste vestigingsplaats gerekend, aannemelijk is, zal de gemeenteraad op dit punt van de beleidsregels afwijken.
Het is de wettelijke taak van de gemeente, op grond van de Wpo-oud om de aanvragen van schoolbesturen te toetsen met behulp van:
de basisgeneratie;
het deelnamepercentage;
het belangstellingspercentage;
leerlingen binnen het voedingsgebied die onderwijs van dezelfde richting bezoeken buiten het voedingsgebied;
de stichtingsnorm.
In het hiernavolgende worden deze begrippen nader geduid.
a - Basisgeneratie
De basisgeneratie is het aantal 4- tot en met 11 jarigen en 30% van de 12jarigen binnen het voedingsgebied van de verlangde school.
Elk jaar stelt Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) voor Amsterdam de basisgeneratie op. Hierbij houdt OIS rekening met de dan bekende voornemens op het gebied van woningbouw. Daarin treden van jaar tot jaar verschuivingen op. Deze werken door in de prognoses. De leerlingenprognose voor het basisonderwijs 2021/2022 laat zien dat het aantal leerlingen in het basisonderwijs de komende jaren licht daalt. Het toegenomen vertrek van gezinnen met jonge kinderen uit de stad is de belangrijkste oorzaak voor deze dalende trend. Tegelijkertijd zijn in ontwikkel- en transformatiegebieden waar veel woningbouw komt wel nieuwe scholen nodig zodat kinderen in hun eigen buurt naar school kunnen gaan. Er is sprake van een gedifferentieerd beeld van groei en krimp binnen de stad. Dat vraagt ook om een gedifferentieerde aanpak in de realisatie van scholen. De schoolbesturen zijn hierover, gefaciliteerd door de gemeente, met elkaar in gesprek via een reeks van gebiedssessies. De werkwijze, waarbij schoolbesturen op basis van samenwerking en transparantie een toekomstbestendig aanbod van basisscholen in de stad willen realiseren, is gestart in 2017 en is in de jaren daarna voortgezet. De afspraken die in de gebiedssessies worden gemaakt hebben geen juridische rechtskracht.
De ontwikkeling in de basisgeneratie is niet alleen relevant voor nieuwe scholen. De cijfers vormen ook de basis voor de planning van de huisvestingsvoorzieningen primair onderwijs zoals opgesteld in het Integraal Huisvestingsplan Primair Onderwijs en het overleg daarover met de schoolbesturen.
b - Deelnamepercentage
Niet alle kinderen uit de basisgeneratie bezoeken het reguliere basisonderwijs. Het speciaal basisonderwijs (sbo) is er voor kinderen die in het basisonderwijs niet goed tot hun recht komen en extra zorg nodig hebben die een reguliere basisschool niet kan bieden. Het speciaal onderwijs (so) is voor kinderen die leer- of gedragsproblemen hebben, blind of slechtziend zijn, doof of slechthorend, lichamelijk of verstandelijk gehandicapt zijn of langdurig ziek. Daarnaast zijn er kinderen die geen van deze vormen van onderwijs bezoeken, bijvoorbeeld omdat ze in instellingen voor residentiële zorg verblijven. Het deelnamepercentage is dat deel van de basisgeneratie dat daadwerkelijk het basisonderwijs volgt of zal gaan volgen. Sinds 2011 hanteert de gemeenteraad hiervoor 98% als benaderingspercentage.
c - Belangstellingspercentage
Kern van de beoordeling van aanvragen is het belangstellingspercentage. Het belangstellingspercentage is het percentage leerlingen in de gemeente Amsterdam dat een school bezoekt van een bepaalde richting (denominatie). De belangstellingspercentages worden afgeleid van de telling van de leerlingen in het Amsterdamse basisonderwijs per 1 oktober voorafgaand aan het jaar van besluitvorming over het plan, in dit geval dus 2020. De belangstellingspercentages staan vermeld in bijlage 1.
d - Aanwezige onderwijscapaciteit
Artikel 78 Wpo-oud schrijft voor: bij de berekening van het aantal leerlingen dat een openbare of een bijzondere school zal bezoeken, worden niet meegeteld leerlingen die wonen binnen redelijke afstand van een openbare school, onderscheidenlijk van een bijzondere school van de desbetreffende richting of richtingen en voor wie op die school plaatsruimte aanwezig is. Dit voorschrift wordt gehanteerd bij de berekening van de aanwezige stichtingsruimte voor een nieuwe school. Ook wordt in de berekening meegenomen de leegstand op omliggende scholen van de desbetreffende richting. Ingevolge artikel 3 c van de Beleidsregels Plan van Scholen Amsterdam wordt hierbij als redelijke afstand een afstand van maximaal 3 kilometer hemelsbreed aangehouden.
e - Stichtingsnorm
Uit de verrekening van het deelnamepercentage, het belangstellingspercentage en de reeds aanwezige capaciteit binnen dezelfde richting resulteert de “netto stichtingsruimte”. Daarop vindt nog een correctie voor scholen in oprichting plaats (wanneer er in voorgaande jaren een Plan van Scholen-aanvraag is toegekend in het voedingsgebied, wordt het aantal leerlingen dat meegerekend is in de eerdere aanvraag van de stichtingsruimte af gehaald).
De netto stichtingsruimte, eventueel gecorrigeerd op scholen in oprichting in het voedingsgebied, wordt afgezet tegen de door het Rijk vastgestelde stichtingsnorm. Deze is voor Amsterdam 325 leerlingen. Een school wordt op het plan geplaatst als de prognose uitwijst dat de school:
aan het einde van het vijfde operationele jaar minimaal 325 leerlingen heeft;
dit ook in alle daaropvolgende 15 jaren zal volhouden.
De berekening van de stichtingsruimte van de aangevraagde scholen voor dit Plan van Scholen vindt u in bijlage 2.
Artikel 2.