Op dit vergunningstelsel zijn naast de algemene bepalingen (artikelen 1:4, 1:6 en 1:8 APV) ook specifieke intrekkings- en weigeringsgronden van toepassing (artikel 2:54e APV). Redenen voor de burgemeester om een vergunning te weigeren dan wel in te trekken zijn onder andere gericht op het beperken/voorkomen van overlast, het waarborgen van de openbare orde en het beschermen van de leefbaarheid. Ook kan de burgemeester een vergunning intrekken als de feitelijke toestand niet overeenkomt met de vergunning of indien de voorwaarden uit de vergunning worden overtreden.
Voor de systematiek en uitleg van de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden wordt aansluiting gezocht bij de regelgeving van exploitatievergunningen voor de horeca- en seksinrichtingen. Verschillende gronden moeten worden bezien in het kader van het tegengaan van ondermijning. Zo is het belangrijk dat de feitelijke toestand in overeenstemming is met het in de vergunning vermelde om schijnbeheer te voorkomen. Ook kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:54c tweede lid worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.
Artikel 4.2