Een raadslid accepteert geen faciliteiten en diensten van anderen waarvan mag/kan worden aangenomen dat die hem uit hoofde van of vanwege zijn functie als raadslid worden aangeboden, tenzij:
het weigeren ervan het raadswerk onmogelijk of onwerkbaar zou maken en
tegelijkertijd de schijn van corruptie minimaal is.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.5