Tijdens de termijn van de schorsing als bedoeld in artikel 6 lid 3 organiseert het college een gesprek tussen de vervoerder, ouder(s)/verzorger(s) en eventueel de leerling zelf. Indien het college dit nodig acht sluit ook een deskundige van het sociaal wijkteam (CMD) of een begeleider van de jeugdige/het gezin aan. Tijdens het gesprek worden andere mogelijke vormen van passend leerlingenvervoer voor de leerling besproken, zoals begeleiding van de leerling in het aangepast leerlingenvervoer, een vervoersvoorziening op basis van openbaar vervoer, al dan niet met begeleiding, of op basis van eigen vervoer gedurende de resterende periode van het schooljaar; één en ander passend binnen de vigerende verordening leerlingenvervoer.
De eerste schooldag na het verstrijken van de termijn van schorsing als bedoeld in artikel 6 lid 3 wordt toepassing gegeven aan de andere vorm van passend leerlingenvervoer voor de betreffende leerling, tenzij er na deze termijn geen nieuwe klachten zijn gemeld.
Indien met de ouder(s)/verzorger(s) van de leerling geen overeenstemming wordt bereikt over een andere vorm van passend leerlingenvervoer stelt het college de ouder(s)/verzorger(s) verplicht de leerling te (laten) begeleiden in het aangepast leerlingenvervoer.
Het college stelt voor het (laten) begeleiden van de leerling in het aangepast leerlingenvervoer slechts een zitplaats in het voertuig ter beschikking voor de ochtendreis woning-school en de middagreis school-woning. De ouder(s)/verzorger(s) zijn zelf verantwoordelijk voor het organiseren van de ochtend-terugreis school-woning en de middag-heenreis woning-school.
Aan de ouder(s)/verzorger(s) die het college verplicht de leerling te (laten) begeleiden worden de regels als bedoeld in het vorige lid schriftelijk meegedeeld.
Hoofdstuk
Artikel 7
– Gesprek over andere mogelijke vormen van passend leerlingenvervoer
Onderdeel van Regeling klachten en sancties in het aangepast leerlingenvervoer Son en Breugel