Aan een omgevingsvergunning kunnen onder meer de navolgende voorschriften en beperkingen worden verbonden:
dat, indien van de vergunning gebruik is gemaakt, binnen een jaar na het ontstaan van de herplantplicht of zoveel langer dat het project waarvoor geveld wordt voortduurt, moet worden herplant overeenkomstig de in de omgevingsvergunning opgenomen aanwijzingen;
dat, als een voorschrift als bedoeld onder 1. wordt gegeven, daarbij tevens wordt bepaald, dat na het ontstaan van de herplantplicht niet geslaagde beplanting doorlopend moet worden vervangen totdat hergroei wordt bewerkstelligd, en de wijze waarop dat moet geschieden.
dat van de omgevingsvergunning pas gebruik mag worden gemaakt als nader aangeduide omstandigheden zijn ingetreden of nadere aangeduide voorwaarden zijn vervuld;
dat van de omgevingsvergunning geen gebruik meer mag worden gemaakt, voor zover daarvan binnen een in de omgevingsvergunning opgenomen termijn na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning geen gebruik is gemaakt.