Als er sprake is van financiële benadeling van het College, kan een boete worden opgelegd of aangifte bij het Openbaar Ministerie worden gedaan. Benadeling kan bijvoorbeeld ontstaan door het verzwijgen van inkomsten, vermogen of samenwoning. We noemen dit fraude. Wanneer het fraudebedrag boven de aangiftegrens uitkomt, doet het College aangifte. De aangiftegrens ligt op € 50.000, maar soms kan ook bij een lager fraudebedrag aangifte worden gedaan. Aangifte wordt gedaan door sociaal rechercheurs van het College. Er wordt dan ook een proces-verbaal opgemaakt voor het Openbaar Ministerie.
Het College legt geen boete op zolang het Openbaar Ministerie een aangifte van het strafbare feit onderzoekt. Het strafbare feit is in het algemeen het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Opsporing en vervolging van bijstandsfraude zullen in het algemeen gebaseerd zijn op artikel 225 Wetboek van Strafrecht (WvSr - valsheid in geschrifte), de artikelen 227 a en 227 b WvSr, of 447 c en 447 d WvSr (schending wettelijke inlichtingenplicht).
Zodra het Openbaar Ministerie strafvervolging heeft ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is gestart, kan Het college geen boete meer opleggen. Dit is ook het geval als een schikkingsvoorstel van het Openbaar Ministerie wordt geaccepteerd. Daardoor vervalt het recht tot strafvervolging en het opleggen van een boete.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.3.1
Wanneer doen we aangifte?
Onderdeel van Beleidsregels Werk en Inkomen Gemeente Lochem