De procedure die geldt voor het opleggen van een boete is geregeld in de Awb. Van belang is allereerst, dat een zorgvuldig onderzoek wordt verricht. Voor dat onderzoek zijn bepaalde procedurele stappen belangrijk. Verder gelden er verschillende vormvereisten waar het College rekening mee moet houden.
In hoofdlijnen zijn de volgende procedurele stappen van belang:
Vaststellen overtreding
Overdragen aan boetemedewerker
Rapporteren overtreding
Voornemen tot opleggen boete
Zienswijze van de klant
Cautie
Voorbereiden boete-besluit
Besluit boete
Deze stappen worden hieronder verder toegelicht.
Vaststellen overtreding
Een boete kan pas worden opgelegd als het College heeft vastgesteld, dat een klant de op hem rustende inlichtingenverplichting op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ niet is nagekomen. Deze constatering kan door iedereen gebeuren die met de uitvoering van deze wetten belast is. Dit zijn o.a. de consulent werk, consulent inkomen en de consulent terugvordering en verhaal..
Overdragen aan boetemedewerker
Het verdere onderzoek naar een mogelijke boete mag niet worden uitgevoerd door diegene die de overtreding heeft vastgesteld. Daarom moet er een overdracht plaatsvinden aan de boeteambtenaar van het team Inkomen. De boeteambtenaar voert het boeteonderzoek uit, maar alleen bij een bedrag hoger dan benoemd in Artikel 10:3, lid 4 AwB welke verwijst naar Art. 5:53, AwB. Hij gaat daarbij uit van de gesignaleerde schending van de inlichtingenverplichting en de rapportage die hij daarover heeft ontvangen.
Rapporteren overtreding
De constatering van de overtreding moet worden vastgelegd in een ‘boeterapport’. Dit boeterapport mag uitsluitend feiten bevatten, geen meningen, veronderstellingen of aannames.
Het boeterapport kent de volgende opbouw:
de naam van de overtreder;
het wettelijk voorschrift dat is overtreden (de schending van de inlichtingenverplichting);
de datum/periode waarop de overtreding heeft plaatsgehad;
de informatie die gemeld had moeten worden;
de wijze waarop de overtreding is geconstateerd (omschrijving van hoe Het College de schending van de inlichtingenverplichting ontdekt heeft);
de dagtekening van het boeterapport.
In dit rapport wordt in ieder geval geen melding gemaakt van:
de reden van de overtreding;
bijzonderheden die bij de beslissing om een boete op te leggen een rol kunnen spelen.
Voornemen tot opleggen boete
De klant moet schriftelijk worden geïnformeerd over het voornemen van het College om een boete op te leggen. Als bijlage wordt het ‘boeterapport’ (Rapportage onderzoek opleggen boete) meegezonden. Het voornemen is geen besluit. Er is geen bezwaar mogelijk tegen het voornemen tot opleggen boete.
Zienswijze van de klant
Bij het informeren van de klant over het voornemen om een boete op te leggen wordt de klant ook in de gelegenheid gesteld om zijn mening (zienswijze) te geven op de door de gemeente geconstateerde overtreding. De klant kan zijn zienswijze geven op de volgende manieren:
tijdens een gesprek op kantoor; of
schriftelijk (niet via de mail, omdat een handtekening vereist is);
Het College laat het aan de klant over om te bepalen hoe hij zijn zienswijze wil geven.
Bijstaan door een tolk bij onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal
De Awb en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) schrijven voor dat de gemeente moet zorgen voor een tolk als duidelijk is dat dit nodig is voor de verdediging van de klant tijdens het zienswijzegesprek.
Cautie
De klant die kennis neemt van het voornemen tot het opleggen van een boete, kan gebruik maken van het zwijgrecht. Er bestaat geen wettelijke verplichting om mee te werken aan een veroordeling. Het College is daarom verplicht om de klant te wijzen op zijn zwijgrecht. Deze mededeling wordt de cautie genoemd. De cautie moet altijd worden gegeven voordat een gesprek over het voornemen tot opleggen van een boete wordt gevoerd. Zonder cautie geen boete. Dat betekent trouwens niet, dat de klant het recht heeft om in een gesprek onjuiste informatie te geven. De informatie die de klant wel verstrekt, moet altijd juist zijn.
Het zwijgrecht brengt met zich mee dat de klant niets hoeft te verklaren over zijn gedrag of zijn overwegingen die geleid hebben tot de overtreding. Dat staat echter los van de inlichtingenverplichting op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ. Die is onverminderd van toepassing. Dat betekent, dat de klant nog steeds verplicht is om alle informatie te geven die van belang is voor de uitkering.
Voorbereiden boetebesluit
Ten slotte worden alle feiten en omstandigheden omtrent de overtreding beoordeeld. Wat van belang is wordt afgewogen om tot een definitief boetebesluit te komen.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.3.3
Belangrijke aspecten bij opleggen van de bestuurlijke boete
Onderdeel van Beleidsregels Werk en Inkomen Gemeente Lochem