Invordering
De verplichting om de teveel verstrekte uitkering terug te betalen (de invordering), start op het moment dat het besluit tot terugvordering wordt verstuurd aan de klant. In dat besluit wordt tevens een besluit tot invordering opgenomen. Voor de invordering geldt in beginsel een termijn van zes weken. Het invorderingsbesluit bevat in ieder geval de volgende punten:
De hoogte van de vordering;
De verplichting om de vordering binnen zes weken te voldoen;
De datum waarop de betalingsverplichting ingaat;
De mogelijkheid om binnen de genoemde termijn van zes weken een betalingsregeling te treffen;
De rechtsgevolgen als de klant niet voldoet aan de betalingsverplichting. Dit betreft de wettelijke rente, de aanmaning en de invordering via een dwangbevel, zoals dit is beschreven in de Algemene wet bestuursrecht;
De vermelding, dat als de klant nieuwe schulden krijgt, dit in principe niet leidt tot het bijstellen van opgelegde betalingsverplichtingen.
Volgorde invordering
Als er naast de teruggevorderde uitkering ook sprake is van een opgelegde boete, dan wordt eerst op de boete afgelost en daarna op de teruggevorderde uitkering.
Verrekening
De teruggevorderde uitkering wordt onmiddellijk verrekend met een lopende bijstandsuitkering of een IOAW- of IOAZ-uitkering, als de klant aanspraak heeft op één van deze uitkeringen. Dat betekent, dat maandelijks een bepaald bedrag op de uitkering wordt ingehouden voor de aflossing van de vordering. Dit staat los van de betalingsverplichting van de klant om de teruggevorderde uitkering binnen zes weken terug te betalen. Die verplichting blijft overeind.
Als de klant een algemene bijstandsuitkering ontvangt, dan wordt maandelijks 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag, verrekend met die uitkering en benut voor aflossing van de vordering. Bij een IOAW- of IOAZ-uitkering wordt 6% van de grondslag, inclusief vakantietoeslag, met die uitkering verrekend.
Als er sprake is van teruggevorderde uitkering als gevolg van schending van de inlichtingenplicht is het percentage waarmee verrekend wordt 5%.
Uitzonderingen:
Bij verblijf in een inrichting wordt hetzelfde percentage gehanteerd als bij klanten die elders woonachtig zijn. Het percentage wordt berekend over de bijstandsuitkering of de grondslag die voor een klant zou gelden die zelfstandige woonruimte bewoont en geen kostendelers heeft;
De bepalingen over beslaglegging in het Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering worden nageleefd. Dat betekent dat soms minder wordt verrekend dan 6% of 8% van de bijstandsnorm of de grondslag;
Als een derde beslag legt op de uitkering vanwege een vordering, dan zal het College de verrekening verhogen tot het bedrag dat maximaal onder het beslag valt. Het beslag wordt dan niet uitgevoerd.
Uitstel van betaling
Als duidelijk is dat de klant niet de mogelijkheid heeft om de vordering binnen de gestelde termijn te betalen, kan het College uitstel van betaling verlenen. De volgende voorwaarden gelden daarvoor:
De beschikbare ruimte in het inkomen (aflossingscapaciteit, zie par. 8.1.6.5) moet worden gebruikt om de vordering af te lossen, en
Vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen (zie hoofdstuk 4 ‘Inkomen en vermogen’) moet worden gebruikt om de vordering af te lossen. Vorderingen op de klant worden bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing gelaten. Bezittingen die algemeen gebruikelijk of noodzakelijk zijn en het vrij te laten vermogen in een eigen woning, worden ook buiten beschouwing gelaten.
Een besluit om uitstel van betaling te verlenen wordt ingetrokken, zodra de klant de overeengekomen aflossing niet nakomt.
Tijdens het uitstel van betaling wordt er geen wettelijke rente in rekening gebracht.
Aflossingscapaciteit
Uitgangspunt is dat iedereen in staat is om op een vordering wegens teveel verstrekte uitkering af te lossen. De hoogte van het maandelijkse bedrag dat betaald kan worden voor de aflossing, is afhankelijk van de hoogte van het inkomen (de aflossingscapaciteit). Voor mensen die een bijstandsuitkering of een ander laag inkomen op dat niveau ontvangen, geldt een aflossingscapaciteit van 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. Zie verder par. 8.1.6.3.
Voor mensen die een inkomen hebben dat hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm, geldt dat zij naast de genoemde percentages van 5%, extra moeten aflossen. Van het inkomen boven de bijstandsnorm moet 35%, inclusief vakantiegeld, worden gebruikt voor aflossing van de vordering van het College.
Klanten van wie de bijstandsuitkering of de IOAW- of IOAZ-uitkering is beëindigd of ingetrokken, behouden gedurende 6 maanden na het besluit tot beëindiging of intrekking een aflossingscapaciteit van 5% van de bijstandsnorm. Als het inkomen na deze periode maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, blijft de aflossing ongewijzigd. Is het inkomen hoger dan moet van het meerdere inkomen 35% besteed worden aan aflossing.
In elk geval geldt dat de regels voor het beslagrecht moeten worden gerespecteerd. Dat betekent dat de aflossing maximaal het bedrag is waarop beslag gelegd kan worden.
Klanten zijn verplicht om juiste informatie te geven over het inkomen en het vermogen.
Hoofdstuk 8
Artikel 8.1.6
De terugbetaling
Onderdeel van Beleidsregels Werk en Inkomen Gemeente Lochem