Bij een aanvraag om omgevingsvergunning die valt onder één van de categorieën uit artikel 4 van bijlage II Bor, wordt de aanvraag –voor zover deze beleidsregels daarnaar verwijzen en onverminderd het bepaalde in artikel 13- getoetst aan de volgende minimale beoordelingscriteria:
de aanvraag levert geen onevenredige beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven;
de aanvraag geeft geen onevenredige overlast voor omliggende gevoelige functies;
de aanvraag geeft geen onevenredige hinder voor de bezonningssituatie van aangrenzende percelen;
de aanvraag geeft geen onevenredige verkeersaantrekkende werking, tenzij de gemeentelijke verkeersdeskundige hier een positief advies over heeft afgegeven;
parkeren ten behoeve van de aanvraag vindt plaats binnen het bestemmingsvlak in de bebouwde kom of, indien de aanvraag ziet op gronden buiten de bebouwde kom, binnen het bouwvlak, tenzij de gemeentelijke verkeersdeskundige hier een positief advies over heeft afgegeven.
Bovenstaande criteria dienen te worden getoetst als dit beleid daarnaar verwijst. In alle andere gevallen wordt geacht deze toets al te hebben plaatsgevonden met positieve uitkomst. Slechts in bijzondere gevallen kan artikel 13 worden toegepast, waarmee gemotiveerd af kan worden geweken van deze beleidsregel.