In bijlage 2 is het totaal overzicht opgenomen met de autoparkeernormen voor alle gangbare woonfuncties en niet-woonfuncties. In deze paragraaf wordt ingegaan op hoe de parkeernormen tot stand zijn gekomen. Ook worden een aantal noemenswaardige aspecten van de autoparkeernormen benoemd.
Wonen
Het CROW maakt in haar parkeerkencijfers onderscheid in de prijsklasse van de woningen (goedkoop, midden, duur), de eigendomspositie (huur, koop) en de verschijningsvorm (tussenwoningen, vrijstaand etc.). In de autoparkeernormen uit bijlage 2 is ervoor gekozen om de verscheidenheid aan woningen die hieruit volgt te vereenvoudigen en enkel onderscheid te maken naar de gebruiksoppervlakte (GO, uitgedrukt in het aantal vierkante meter) van een woning. De reden hiervoor is dat bij nieuwbouw of functiewijziging de GO vaak al bekend is, terwijl een indeling in prijsklassen discussie kan opleveren.
Bij de onderstaande parkeernormen zoals weergeven in tabel 3.2 gelden de onderstaande bezoekersaandelen:
Bij woningen in de binnenstad geldt een bezoekersaandeel van 0,1 parkeerplaatsen per woning;
Bij woningen in de schil binnenstad geldt een bezoekersaandeel van 0,2 parkeerplaatsen per woning;
Bij woningen gelegen buiten de twee bovenstaande gebieden (rest Delft) geldt een bezoekersdeel van 0,3 parkeerplaatsen per woning.
Functie
Autoluwplus-
Binnenstad
Schil
Rest Delft
Waarvan
Eenheid
gebied
binnenstad
bezoekersaandeel
woning ≤ 40 m2
0
0,1
0,5
0,7
**
per woning
woning 40 - ≤ 60 m2
0
0,5
0,8
1
**
per woning
woning 60 – ≤ 90 m2
0
0,8
1,1
1,3
**
per woning
woning 90 – ≤ 130 m2
0
1,0
1,3
1,5
**
per woning
woning > 130 m2
0
1,1
1,4
1,7
**
per woning
kamerverhuur studenten
0
0,1
0,15
0,2
0,1
per wooneenheid
aanleunwoning
0
0,1
0,2
0,9
**
per woning
**= Bezoekersaandeel binnenstad: 0,1 p.p. per woning, schil binnenstad 0,2; p.p. per woning en voor rest Delft 0,3 p.p. per woning.
Tabel 3.2: Parkeernormen voor woonfuncties uitgesplitst naar gebieden in Delft
Kamerverhuur studenten
Studentenwoningen worden gekenmerkt door een relatief lage parkeernorm (zie tabel 3.2). Veel studenten beschikken namelijk niet over een eigen auto. In geval van verkoop van een studentenwoning kunnen er twee situaties optreden:
De voormalige studentenwoning wordt verkocht/verhuurd aan een nieuwe student. Deze dient te verklaren student te zijn door bijvoorbeeld een campuscontract te overleggen of op een andere manier aan te tonen dat hij/zij student is. Indien een nieuwe student in de woning trekt wordt de parkeernorm voor studentenwoningen gehandhaafd.
De voormalige studentenwoning wordt verkocht aan niet-studenten. Deze wijziging heeft tot gevolg dat voldaan dient te worden aan de parkeernorm voor reguliere niet-studentenwoningen.
Aanleunwoning
In de regel worden aanleunwoningen gebouwd tegen of in de nabijheid van een verzorgingshuis. Deze woningen zijn bedoeld voor ouderen die nog relatief mobiel zijn en geen grote gezondheidsproblemen hebben. Dit type woningen is kleiner dan 90 m2 GO en komt onder de volgende benamingen voor: aanleunwoningen, appartementen met zorg binnen handbereik, ouderenwoning, serviceflat of zelfstandige seniorenwoning.
De functie aanleunwoning kan breed worden geïnterpreteerd. Binnen deze Nota wordt het volgende onderscheid gemaakt:
Intramurale zorgwoningen voor mensen met een zwaardere zorgindicatie (dag verzorging). Deze zorgwoningen vallen onder de categorie verpleeg-/verzorgingshuis.
Extramurale zorgwoningen voor zorgbehoevenden met behoefte aan zorg op afroep. Dit type zorgwoningen valt onder de categorie aanleunwoning.
Detailhandel en horecavoorzieningen
Parkeernormen hebben van origine een lineair karakter; een functie van een tweemaal zo grote omvang heeft volgens de parkeernormen een tweemaal zo grote parkeerbehoefte. In geval van uitbreiding van winkels en horecavoorzieningen is het echter niet realistisch te veronderstellen dat bij een uitbreiding van 20% bruto vloeroppervlakte (bvo) ook het aantal bezoekers met 20% zal toenemen (wat inhoudt dat de parkeerbehoefte ook niet met 20% zal toenemen). In navolging op deze veronderstelling wordt er in de gemeente Delft een reductiefactor op de te hanteren parkeernorm bij uitbreiding van detailhandel- en horecafuncties gehanteerd.
Uitbreiding van bestaande detailhandel- of horecavoorzieningen
De reductiefactor op de oorspronkelijke parkeernorm voor uitbreiding van een bestaande functie wordt beschreven door de formule: y (reductiefactor) = 1 – (oorspronkelijk bvo / uiteindelijk bvo). De formule leidt bij kleine uitbreidingen tot een grotere reductiefactor (een relatief lage parkeernorm), bij grote uitbreidingen is sprake van een lagere reductiefactor (de parkeernorm benadert de oorspronkelijke parkeernorm).
Rekenvoorbeeld: reductiefactor bij uitbreiding van een bestaande detailhandel- en horecafuncties
Functie: supermarkt (oorspronkelijk 1.000 m² bvo, na uitbreiding 1.300 m² bvo).
Parkeernorm: 4,25 parkeerplaatsen per 100 m² bvo.
Reductiefactor op de oorspronkelijke parkeernorm: 1 – (1.000/1.300) = 0,23
Gereduceerde parkeernorm: 4,25 * 0,23 = 0,98 parkeerplaatsen per 100 m² bvo.
Resultaat: 13 extra parkeerplaatsen bij toepassing oorspronkelijke parkeernorm, 3 extra parkeerplaatsen bij toepassing van de gereduceerde parkeernorm.
Overige functies
In dit hoofdstuk wordt op twee functies, Kiss & Ride zones en laad- en losvoorzieningen, een aparte toelichting gegeven. Binnen het parkeerbeleid van de gemeente Delft geldt voor beide functies een aparte interpretatie.
Kiss & Ride zones
De functies kinderdagverblijf en basisschool kennen naast een reguliere parkeernorm ook een parkeernorm voor Kiss & Ride zones. Het uitgangspunt is dat voor parkeerplaatsen bedoeld voor Kiss & Ride zo veel mogelijk gebruik gemaakt wordt van het al bestaande parkeerareaal. Een voorwaarde hierbij is dat de parkeerdruk in het desbetreffende gebied niet hoger mag worden dan 85% op het voor de scholen of kinderdagverblijf maatgevende moment. Indien voor de aanleg van Kiss & Ride zones geen gebruik gemaakt kan worden van het bestaande parkeerareaal, dienen parkeerplaatsen aangelegd te worden ten behoeve van Kiss & Ride. De initiatiefnemer van een bouwontwikkeling is verantwoordelijk voor de aanleg van deze parkeerplaatsen.
Laad- en losvoorzieningen
Indien de functie van een bouwontwikkeling aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen (met name van toepassing op detailhandel- en horecavoorzieningen), dan is een initiatiefnemer verplicht om deze ruimte te faciliteren op eigen terrein. Uitsluitend in die gevallen dat op grond van bijzondere omstandigheden de initiatiefnemer aannemelijk maakt dat de logistieke aan- en afvoer van producten geen specifieke laad- en losplaatsen behoeft, dan wel dat op een andere wijze kan worden voldaan aan de eis om voldoende laad- en losmogelijkheden beschikbaar te hebben, kan toepassing worden gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid uit de Facetherziening Parkeren.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2
Parkeernormen auto
Onderdeel van Nota Parkeernormen 2018 – update 2021 Auto- en fietsparkeren bij bouwontwikkelingen