**1..** De koper van een nieuwbouwwoning als bedoeld in artikel 1 verplicht zich de woning uitsluitend te zullen gebruiken om die zelf (eventueel met zijn partner en/of gezinsleden) te bewonen en de woning niet aan derden door te verkopen met inachtneming van en behoudens het vermelde in de hierna volgende leden.
**2..** De zelfbewoningsplicht geldt voor een periode van 5 jaren. Als maatstaf voor de start van deze tijdsduur geldt hierbij de datum waarop de eerste koper als bewoner van het betreffende adres in het bevolkingsregister is ingeschreven.
**3..** Het college kan – op een daartoe strekkend verzoek van de eigenaar/bewoner – afwijken van de verplichting tot zelfbewoning indien en voor zover er sprake is van:
een verkoop op grond van een machtiging van een rechter als bedoeld in artikel 3:174 Burgerlijk Wetboek (rechterlijke dwang tot verkoop bij scheiding van onverdeelde woning);
Een executoriale verkoop door hypothecaire schuldeisers als bedoeld in artikel 3:268 Burgerlijk Wetboek (verzuim in betaling hypotheek op de woning);
Ontbinding van: het huwelijk door scheiding, een bij de gemeente geregistreerd partnerschap of een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst/contract;
Verandering van werkkring van de eigenaar/koper en/of diens partner op grond waarvan redelijkerwijs (aantoonbaar) verhuisd dient te worden;
een ontheffing van het college op grond van andere schrijnende omstandigheden van de aanvrager (toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur).
**4..** Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in lid 3 wordt de verplichting tot zelfbewoning als bedoeld in artikel 2, lid 1 via een kettingbeding doorgelegd aan de opvolgend koper voor de resterende looptijd van de oorspronkelijke 5 jaren.