Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het vestigen van een krediethypotheek als bedoeld in en onder de voorwaarden van artikel 48, lid 3 van de Pw indien het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Pw.
Het college verbindt aan de verlening van de uitkering de verplichting dat de belanghebbende meewerkt aan de vestiging van de krediethypotheek.
Het college kan op grond van zeer dringende omstandigheden afzien van het vestigen van een krediethypotheek als bedoeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK 5
Artikel 5.1