Bij de beoordeling van een aanvraag voor een antenne-installatie speelt artikel 10 van het EVRM een belangrijke rol. Het plaatsen van een antenne-installatie moet namelijk beschouwd worden als een uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting.
De letterlijke tekst van het artikel is als volgt:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet om radio-omroep (…) te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.”
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden of strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
Uitspraken van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geven aan, dat artikel 10 EVRM een “ieder verbindende bepaling” is, als bedoeld in artikel 93 en 94 van de Grondwet. Dit betekent dat het weigeren van een omgevingsvergunning voor een antenne-installatie altijd leidt tot inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting. Deze inmenging is toegestaan als sprake is van een situatie zoals aangegeven in artikel 10, lid 2 van het EVRM. Dit artikel maakt het mogelijk dat Staten een vergunningplicht instellen voor antenne-installaties.
Daarmee wordt het mogelijk om een bouwplan voor een vergunningplichtige antenne-installatie te toetsen aan het bestemmingsplan. Ook is het mogelijk om af te wijken van regels opgenomen in het bestemmingsplan, als de regels in het bestemmingsplan de oprichting van een antenne-installatie in de weg staan. Als een antenne-installatie onevenredig bezwarend is voor anderen (bijvoorbeeld buurtbewoners) of wanneer een minder bezwarend alternatief denkbaar is, kan de vergunning voor een antenne-installatie worden geweigerd.
Uit uitspraken van de rechter blijkt dat er verschillende redenen zijn die kunnen leiden tot het oordeel dat een antenne-installatie onevenredig bezwarend is voor anderen o.a.:
een welstandsadvies waarin wordt aangegeven dat de antenne-installatie wat betreft plaatsing, grootte en vormgeving bijzonder nadrukkelijk aanwezig is en niet past bij het (groene en open) karakter van de woonwijk ; 1 Afdeling bestuursrechtspraak raad van State d.d. 9 februari 2005, LJN: AS 5484
wanneer hinder ten gevolge van de antenne-installatie optreedt of wanneer belangen van omwonenden worden geschaad ; 2 Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State d.d. 26 augustus 2009, LJN: BJ6050, Rechtbank ’s Hertogenbosch 22 febr. 2007, LJN: AZ9665
als op het betrokken perceel al een andere antenne-installatie staat, waarmee de hobby van zendamateur kan worden uitgeoefend ; 3Afdeling bestuursrechtspraak raad van State d.d. 21 november 2007, LJN: BB8395, Rechtbank ’s Hertogenbosch 22 febr. 2007, LJN: AZ 9665
als de welstandscommissie negatief op de aanvraag heeft gereageerd met als motivatie dat de antenne-installatie een té afwijkende en daardoor misplaatste invloed uitoefent op de sfeer van de openbare ruimte ter plaatse en als niet aannemelijk is gemaakt dat er voor de zendamateur geen alternatieven zijn om op een andere manier zijn hobby uit te kunnen oefenen ; 4Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 5 dec. 2007, LJN: BB9470
als de antenne-installatie wordt gebouwd in een omgeving waar woningen dicht op elkaar zijn gebouwd en de woningen zo zijn gesitueerd dat de antenne-installatie op de gewenste locatie erg opvalt in de omgeving. Dit dient dan in een negatief welstandsadvies te worden aangevoerd ; 5Rechtbank Leeuwarden 20 april 2005, LJN: AU2873
als de hoogte en vormgeving van de antenne-installatie een probleem vormt en de aanvrager niet kan aangeven waarom niet volstaan kan worden met een lagere antenne-installatie dan wel een andere vormgeving ; 6Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 5 dec. 2007, LJN: BB9470
als het zicht op de (antenne)mast niet/onvoldoende wordt beperkt door bijvoorbeeld bomen . 7Rechtbank Arnhem 9 april 2003, LJN: AF7656
De afstand tussen de antenne-installatie en de woningen en tuinen van omwonenden in relatie tot de hoogte van de antenne-installatie, de vormgeving van de antenne-installatie en de aard van de omgeving spelen dus een belangrijke rol bij het bepalen of een antenne-installatie onevenredig bezwarend is voor derden.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)
Onderdeel van Beleid antenne installaties zendamateurs gemeente Enschede 2013