De regio bestaat voor een groot deel uit slappe grond. Veendiktes van 8 meter zijn geen uitzondering in grote delen van de Krimpenerwaard en het gebied rond Gouda en Reeuwijk. Vanaf de eerste bewoning van het gebied hebben de bewoners het gebied moeten ophogen en nog steeds daalt de bodem. De bodemdaling in de Krimpenerwaard bedraagt circa 1 cm per jaar [5]. In de westelijke droogmakerijen, waar het veen voor het grootste deel is afgegraven, is de bodemdaling een minder groot probleem. Deze polders liggen echter zeer laag (het laagste punt van Nederland ligt in Nieuwerkerk aan den IJssel) en om dit gebied “klimaatbestendig” te maken wordt wel eens geopperd het gebied grootschalig op te hogen. Het moge duidelijk zijn dat vanwege de bijzondere bodemgesteldheid veel ophooggrond nodig is, terwijl er juist relatief weinig geschikte grond vrijkomt. Het nieuwe beleidskader moet er in voorzien dat veel grond kan worden toegepast in de regio.
Samenhangend met de bijzondere bodemgesteldheid is de aanwezigheid van veel afwateringssloten.
Om een veengebied goed te kunnen ontwateren is een dicht slotenpatroon noodzakelijk. Ook in de lage droogmakerijen zorgen watergangen voor de afvoer van overtollig water. Al deze watergangen moeten op diepte worden gehouden door ze regelmatig te baggeren. Er komt in de regio veel bagger vrij, waarvan het wenselijk is deze in de directe omgeving van de watergang nuttig her te gebruiken. Deze nota moet hierin voorzien.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1.
Karakterisering gebied
Onderdeel van Nota Bodembeheer Midden-Holland en Zoetermeer 2016-2021 en bijbehorende Bodemkwaliteitskaart