Dit besluit betreft het mandaat tot heffing van:
belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten overeenkomstig artikel 221 van de Gemeentewet;
rechten voor het gebruik van de algemene begraafplaats overeenkomstig artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet;
leges overeenkomstig de artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet;
marktgelden overeenkomstig artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a en onderdeel b, van de Gemeentewet;
rechten voor de paardenmarkt overeenkomstig artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet.