Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.2.1

Binnenstad Kampen

Onderdeel van Welstandsnota gemeente Kampen

Structuur Kampen is gelegen op een vroegere met zware, uiterst fijn-zandige klei opgevulde riviergeul, welke ondergrond kunstmatige ophoging vergemakkelijkte. De natuurlijke smalte van de rivier ter plaatse bood plaats aan een van de eerste grote rivierbruggen in Nederland. De brug maakte een kruis-verbinding tussen de handelsroute over water en over land mogelijk. Waar eertijds een bastion de entree tot de stad markeerde, is tegenwoordig het station het visitekaartje. Door deze situering van het station is de binnenstad een forse ingreep in de oorspronkelijke structuur bespaard gebleven. De gave hoofdstructuur van de binnenstad van Kampen, samen met het Plantsoen Beschermd Stadsgezicht sinds 1975, wordt bepaald door de doorlopende, lange straten parallel aan de IJssel en de richting van de stroomrug, met haaks daar op de korte verbindingswegen. De lange straten binnen de Burgel convergeren naar de plaatsen van de voormalige stadspoorten in het noorden en het zuiden. Tussen de Oudestraat en de Voorstraat/IJsselkade vormen dwarsverbindingen een fijnmazige structuur van stegen, terwijl tussen Oudestraat en de Burgel de dwarsstraten op grotere afstand van elkaar gelegen zijn. Tussen de Burgel en de Bolwerken is door de late invullingen het stratenpatroon minder strak georganiseerd, maar de belangrijke routes van de Broederweg en de Cellebroedersweg zijn doorgetrokken, de eerste zelfs tot over de Stadsbrug. Binnen het stratenpatroon zijn een aantal open ruimten, markt- en kerkpleinen en restruimtes, maar binnenhoven zijn spaarzaam. Wel komen stadstuintjes (hofjes) voor. Vanuit de dwarsstraten en -stegen zijn diverse doorkijkjes naar de IJssel, terwijl vanuit de Broederweg en de Cellebroedersweg, maar ook vanaf het Meeuwenplein groene zichtlijnen op het Plantsoen waarneembaar zijn. Het Plantsoen strekte zich eertijds uit van de Bovenhaven tot aan de Buitenhaven. De eerste stond echter in verbinding met de Singelgracht, de tweede met de Burgel. Beide havens zijn nu inhammen. De belangrijke historische gebouwen van de binnenstad zijn zowel vanuit de stad zelf, als vanuit het buitengebied beeldbepalende oriëntatiepunten. Het parallelle verloop van de lange straten, de Burgel, de Singelgracht met het Plantsoen en de IJssel verlenen de structuur van Kampen een grote mate van overzichtelijkheid. Binnen deze structuur is de groeigeschiedenis van de stad duidelijk afleesbaar, niet alleen lineair maar ook in de lobvormige bovenstad en buitenstad, geaccentueerd door de torens van de Bovenkerk en de Buitenkerk en de Nieuwe Toren. Ook de uitbreiding tussen de Burgel en de voormalige bolwerken is een duidelijk te onderscheiden strook. Het hart van de binnenstad wordt gemarkeerd door het oude stadhuis, waar de Oudestraat en de Voorstraat samenkomen. Dit is exact ter hoogte van de Broederstraat en in het verlengde daarvan de Stadsbrug. De natuurlijke begrenzing van de IJssel inclusief het havenfront, het aflopende reliëf en de restanten van de oude stadsmuur en de omgrenzing van de voormalige bolwerken bakenen de grens naar andere gebiedsdelen duidelijk af, maar aan de zuidzijde van de stad verloopt de overgang meer vloeiend. Binnen de lineaire hoofdstructuur is ook op kleiner schaalniveau sprake van een aantal specifieke kenmerken. Het straatprofiel van de stegen is uitermate smal en op diverse plaatsen voorzien van gemetselde luchtbogen. Binnen de overige straten wisselt de straatbreedte, maar is het aantal van twee bouwlagen egalitair (de goothoogte niet) en ook is de smalle perceelsbreedte tamelijk uniform, met uitzondering van de gebouwen met een bijzondere functie. De kappen van de woonhuizen zijn overwegend in dwarsrichting, waardoor binnen de hoofdstructuur sprake is van samenhang in verscheidenheid en een waardevol, nauwelijks verstoord ‘daklandschap’. Buiten de Burgel is het beeld meer gedifferentieerd: van één-laags bebouwing in de Groenestraat en wat grootschaliger nieuwbouwinvullingen tot onbestemde open ruimtes. Ook deze situatie is historisch gegroeid in die zin dat deze strook gedurende een lange periode zeer dun bebouwd was. De huidige invulling van de Groenestraat is weinig samenhangend. Dit geldt ook voor de zuidpunt van de stad (ten zuiden van de Bovenhavenstraat), waar de structuur van de binnenstad open plekken vertoont. Tot slot op het kleinste schaalniveau van de structuur dragen het onregelmatige verloop van de rooilijnen en de voorkomende bolle en holle vlakken in de straatwand bij aan het herkenbare, historische deel van de stad. Bebouwing De binnenstad van Kampen is rijk aan monumenten, bouwwerken voor de industrie, onderwijs, wetenschap en cultuur, uit diverse periodes. Voor het grootste gedeelte bestaat de bebouwing uit tweelaagse woonhuizen, twee of drie venster - assen breed met de ontsluiting op de begane grond en een schilddak in dwarsrichting. In de Voorstraat, waar de bouwblokken aan de westzijde (ter plaatse van de oude stadsmuur) zeer ondiep zijn, zijn de kappen ook in langsrichting geplaatst. Dit geldt ook voor de westzijde van de Oude-straat tussen het Oude Raadhuis en het Van Heutszplein. De gevels vertonen weinig plasticiteit. De meeste historische woonhuizen worden afgesloten door een lijstgevel, maar topgevels komen ook voor, in dat geval voor een zadeldak. De historische woonhuizen zijn in de Oudestraat op plintniveau veelal uitgebroken. Eind negentiende eeuw ontstaan aan de ene kant herenhuizen zoals aan de De la Sablonière kade en de Burgel, en aan de andere kant sociale woningbouw zoals in de smalle straten die op het Plantsoen uitkomen. Bij de rijkere huizen komen in deze periode erkers en balkons voor. Behalve de bestuurlijke, religieuze, educatieve en culturele stedelijke bouwwerken is in Kampen ook een tweetal specifieke typologieën aan te wijzen: de kazernes en de fabrieken. De eerste categorie, een klein aantal kloeke bouwwerken, is aan de stadsrand gesitueerd, terwijl de tweede categorie, met name relatief kleine tabaksfabriekjes, in de stedelijke structuur is ingeweven. Nieuwbouw heeft op bescheiden schaal plaatsgevonden. Over het algemeen geldt dat wanneer bij de nieuwbouw aansluiting is gezocht met de directe omgeving en gebouwd is volgens de principes van binnenstad, deze zich goed voegt in de context. Wijkt de bebouwing in hoofdvorm, maat, schaal en proporties te veel af, dan heeft deze eerder een verstorende werking. Dit is met name in het noordwestelijke deel van de binnenstad aan de orde, waar (te) grootschalige nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Detaillering De muren zijn in schoon metselwerk opgetrokken, de oudere huizen in een kleiner formaat baksteen (handvorm), maar opvallend vaak ook gepleisterd (in blokverband). In middeleeuws metselwerk zijn ook wel kloostermoppen verwerkt. De baksteenkleur verloopt van geel, via rood naar grauw. De witte pleisterlaag is in veel gevallen later aangebracht. De vensters zijn in de historische woonhuizen tot de jaren twintig van de twintigste eeuw altijd staand (verticaal). Ramen en deuren zijn over het algemeen in de historische panden één of meerdere malen vervangen, maar vaak nog wel gedetailleerd en vrijwel altijd in hout. De kleuren zijn gedekt (groen, crèmewit). Lijsten en topgevels zijn over het algemeen rijk tot zeer rijk gedecoreerd. De kappen zijn gedekt met rode of gesmoorde keramische pannen, gelijkelijk verdeeld. De mate en soort van de decoratie hangt samen met de bouwstijl en -periode. De meeste bekende Nederlandse bouwstijlen, waarbij Art Nouveau goed vertegenwoordigd is, komen voor in Kampen. De wederopbouwperiode heeft ook belangrijke sporen nagelaten. De (grootschalige) nieuwbouw in het noordwestelijke deel van de binnenstad is, met de grijze machinale baksteen, ook qua materialisatie en detaillering niet passend. Karakterisering Binnenstad Kampen De historische binnenstad van Kampen is in zijn geheel beschermd stadsgezicht en in structuur en bebouwing uitermate gaaf behouden gebleven, in die zin dat schaalvergrotende, niet passende nieuwbouw bijna niet heeft plaatsgevonden. Dit is o.a. terug te zien in het weinig geschonden dakenlandschap. De historische bebouwing bestaat uit representatieve voorbeelden van de architectuurstijlen en -stromingen vanaf de late middeleeuwen tot en met de Art Nouveau, waardoor een eenduidige bebouwingskarakteristiek niet is te geven. Jongere stijlen zijn incidenteel vertegenwoordigd en over het algemeen van hoogwaardige architectonische kwaliteit. Dit geldt niet voor de nieuwere invullingen die architectonisch en stedenbouwkundig te veel afwijken en volgens ‘eigen principes’ zijn ontwikkeld. Beleid De status van beschermd stadsgezicht vraagt om een intensief en behoudend welstands- en monumententoezicht. Aan de architectuur wordt hoge eisen gesteld. De bebouwingskarakteristieken zoals omschreven dienen te worden behouden, en waar mogelijk versterkt en hersteld. Vernieuwing is onder voorwaarden mogelijk maar behoud gaat vóór vernieuwing. Het Beeld Kwaliteit Plan Kampen Oudestraat (juli 2003) geldt naast onderstaande criteria onverkort als toetsingskader. Criteria Binnenstad Kampen Situering Nieuwe bebouwing voegt zich naar de bestaande structuur en richting van de gebouwen; Nieuwe ontwikkelingen zijn gerelateerd aan de bestaande verhoudingen van maat - schaal en hoog - laag; De gebouwen dienen met de vlakke, representatieve voorgevel in de rooilijn van de weg te staan; De historische pandbreedte is maatgevend, de verschillende historische kavels dienen zichtbaar te blijven (dit geldt bij grotere plannen voor zowel nieuwbouw als verbouw); De historische zichtlijnen dienen behouden te worden; Tussen de Burgel en de strook tussen het Bolwerk, de Eerste tot en met de Derde Ebbingestraat, Engelen-bergplantsoen, Engelenbergstraat en de Bovenhaven, wordt nieuwbouw beoordeeld op de mate waarin het stedelijke weefsel en de historische patronen worden hersteld. Vormgeving Bij vervangende bouw is vernieuwing mogelijk maar met respect voor de hoofdvorm, maat, schaal, proporties, kleur en materialen van de bestaande gebouwen; Nieuwbouw van langere architectuureenheden met repeterende elementen worden vermeden; De opbouw van de gevels is bij nieuwbouw en verbouw consequent en goed van verhoudingen en verhoudt zich tot de architectonische eenheid als geheel; De vensters, zowel in de nieuwbouw als in de bestaande bebouwing, zijn verticaal (staand); De plaats en afmetingen van raam- en deuropeningen in de gevels zijn op elkaar afgestemd; De kap, (afgeplat) zadeldak of schilddak vormt, zowel in nieuwbouw als in de bestaande bebouwing, een substantieel onderdeel van de bouwmassa, óf: de kap wordt aan het oog onttrokken door een lijst, balustrade of een ander bouwkundig onderdeel; Uitbreidingen dienen te worden afgestemd op het bestaande gebouw; Aan- op- en uitbouwen, waaronder dakkapellen, zijn in principe niet zichtbaar vanaf de openbare weg, tenzij het de bestaande architectuur versterkt en hoogwaardig is vormgegeven; Voor het winkelgebied dient de pui in samenhang met de gehele gevel te worden ontworpen; In het overige gebied geldt dat bedrijfs- en garage puien in samenhang met de gevel worden ontworpen; Bij nieuwbouw is het hiërarchische onderscheid tussen voor-, zij- en achtergevels het uitgangspunt. Detaillering, materiaal en kleur In het algemeen worden traditionele bouwmaterialen en detaillering toegepast, bij verbouw aansluitend op het bestaande pand; Historisch en/of traditioneel kleurgebruik handhaven en bij nieuwbouw hierop aansluiten. Bij nieuwbouw kan hiervan worden afgeweken als sprake is van hoge architectonische kwaliteit; De gevels zijn in baksteen opgetrokken dan wel gepleisterd afgewerkt; Kalkzandsteen, betonsteen en kunststof plaatmaterialen niet toepassen richting het openbaar toegankelijk gebied; Bestaand zichtbaar ‘schoon’ metselwerk wordt niet gesausd of geschilderd; Kozijnen en andere details worden in hout of (natuur)steen uitgevoerd. Andere materialen, zoals metaal, zijn toegestaan mits dit vanuit historisch perspectief goed is gemotiveerd; De onderverdeling van de kozijnen en de roede-verdeling zijn in samenhang met de gevelopbouw als geheel ontworpen; De kappen zijn gedekt met keramische of natuurlijke materialen, (m.u.v. riet) en niet met betonpannen. Toepassing van zink is op de daken wel toegestaan; Het onregelmatige muurwerk in stegen niet strak en glad maken, tenzij oorspronkelijk aanwezig; Bestaande waardevolle elementen en objecten, zoals bijvoorbeeld een hooiluik, waar mogelijk behouden / hergebruiken. Zonnepanelen in beschermd stadsgezicht Algemeen Zonnepanelen worden geaccepteerd in het beschermd stadsgezicht en op monumenten, als er geen (wezenlijke) aantasting van het waardevolle dakenlandschap plaatsvindt en de invloed op de openbare ruimte beperkt blijft. Er is altijd sprake van maatwerk. Uitgangspunten: Zonnepanelen vormen geen onevenredige visuele verstoring van het karakteristieke dakenlandschap; Zonnepanelen zijn ondergeschikt aan het bebouwingsbeeld; Zonnepanelen leveren bij monumentale panden geen onherstelbare fysieke schade op aan het pand; Zonnepanelen op hellende daken zijn vanaf de achtergevel naar voren geordend en beperkt zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Als richtlijn wordt aangehouden een afstand van drie meter tot de voorgevel; Zonnepanelen op hellende daken liggen binnen het dakvlak; De panelen worden staand of liggend geplaatst per dakvlak, in aaneengesloten vlakken, in eenvoudige geometrische vormen (rechthoek/vierkant/strook), uitgevoerd in donkere matte kleurstelling (zonder rand en zwart of in de kleur van de dakpannen); Zonnepanelen op platte daken (van hoofd- en bijgebouwen) zijn toegestaan wanneer ze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte; Bij niet-historische panden vanaf jaren ’70 (herstructurering) en nieuwbouw gelden in principe bovenstaande uitgangspunten. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de plaatsing van de panelen: die zijn ook toegestaan op het voordakvlak. Bij nieuwbouw zijn zonnepalen toegestaan bij volledige integratie in het dakvlak, waarbij de zonnepanelen visueel een geheel vormen met de dakbedekking. Voor monumenten gelden de criteria hoofdstuk 3.5. Voor reclame gelden de criteria hoofdstuk 3.6.

Rechtspraak bij dit artikel