Naar hoofdinhoud
3.2.1 Inleiding De formele juridische basis voor het verlenen van vergunningen is vastgelegd in de wetgeving. In deze wetgeving is veelal een bepaalde procedure vastgelegd. Om snel inzicht te krijgen in de haalbaarheid van een plan, bestaat een zogenaamd vooroverleg (waarin het plan schriftelijk of mondeling wordt toegelicht). De vergunningverlening is gebonden aan wettelijke termijnen. Als er niet binnen deze termijnen wordt beslist op een reguliere aanvraag, ontstaat een vergunning van rechtswege. Alle inspanningen zijn er natuurlijk op gericht om dit te voorkomen. De wettelijke behandelingstermijn bedraagt 8 weken (verdaging mogelijk met 6 weken). Een aanvraag wordt op grond van de Wabo getoetst aan het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de bouwverordening, de redelijke eisen van welstand zoals die door de gemeenteraad zijn vastgesteld in de welstandsnota, het exploitatieplan (indien aanwezig), de Monumentenwet (indien van toepassing) en/of een provinciale verordening. Indien een aanvraag niet past binnen de regels van een bestemmingsplan, houdt een aanvraag tevens in een verzoek om af te wijken van die regels. Een aanvraag kan pas in behandeling worden genomen als deze volledig is; de ingediende bescheiden moeten compleet zijn en van voldoende niveau om de aanvraag te kunnen beoordelen. In de Mor wordt dit verder aangegeven. Worden de gegevens niet tijdig ingediend of zijn deze nog steeds onvolledig, dan kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. 3.2.2 Toetsing Bouwbesluit Bouwplannen lopen zeer uiteen. Het Bouwbesluit telt veel regels. Elke ontwerper, adviseur, bouwer, plantoetser en toezichthouder gaat daar op z’n eigen manier mee om. Al rond het jaar 2000 nam het toenmalige platform ‘BWT grote gemeenten’ het initiatief om hierin meer lijn te brengen door de opstelling van een landelijk toetsprogramma. Verder is het belang van het werken aan de hand van een toetsprotocol met de introductie van kwaliteitscriteria alleen maar toegenomen. Met het door ons gebruikte toetsingsprogramma ‘BRIStoets’ kan eenduidig beleid vastgelegd worden en daarmee de kwaliteit van het toetsen worden geoptimaliseerd. Bovendien maakt de methode het toetsingsproces transparant en kan ermee worden aangetoond wat er is getoetst en met welke intensiteit. Alle eisen uit het Bouwbesluit toetsen is theoretisch mogelijk, maar onwenselijk gelet op de kosten en vanuit het oogpunt van efficiëntie. Om tot een uniforme toetsing van de eisen uit het Bouwbesluit te komen zijn de toetsingsniveaus zorgvuldig beoordeeld. We stellen de niveaus per gebruiksfunctie vast. Hierdoor kunnen vergunningverleners op grond van dit kader de technische toets van aanvragen uitvoeren waardoor de veiligheid zoveel mogelijk wordt gewaarborgd zonder dat een algemene basiskwaliteit uit het oog wordt verloren. Overigens is het met het vaststellen van de niveaus niet gezegd, dat van deze norm niet kan worden afgeweken. Indien een vergunningverlener meer gegevens wil zien en dus strenger wil toetsen, kan dat altijd. Ook kan er steekproefsgewijs bij een omvangrijk project zwaarder getoetst worden indien daartoe aanleiding bestaat. De veiligheid staat immers voorop. Hier zal echter wel sporadisch gebruik van worden gemaakt. Met het besluiten tot toepassing en vaststellen van de toetsingsniveaus zal er een eenduidige toetsing plaatsvinden op de punten uit het Bouwbesluit waaraan wij grote waarde hechten. Voor het toetsen is gekozen voor 3 toetsingsniveaus (zie bijlage 2 voor uitwerking): Niveau 1: sneltoetsen Niveau 2: visueel toetsen Niveau 3: representatief toetsen Aan de hand van deze niveaus zijn er checklists opgesteld met een overzicht per bouwwerk wat er minimaal ingediend moet worden om een aanvraag in behandeling te kunnen nemen. Indien een aanvraag conform deze checklists wordt ingediend, kan een aanvraag veel sneller afgehandeld worden.

Rechtspraak bij dit artikel