Voor de privaatrechtelijke vorderingen gelden het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek (BW) als wettelijk kader.
De gemeente heeft geen bijzondere bevoegdheden ten opzichte van natuurlijke en rechtspersonen ter zake van de invordering, zoals dat bij publiekrechtelijke vorderingen wel het geval is. Eén van de belangrijkste gevolgen hiervan is dat de gemeente in het invorderingsproces geen recht van parate executie heeft, maar gebruik zal moeten maken van gerechtsdeurwaarders en gerechtelijke vonnissen.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf
Artikel 2.2.2
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek
Onderdeel van Invorderingsbeleid 2021