Het onderzoek wordt als volgt opgebouwd:
De gemeente moet eerst vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige en/of de ouders is;
Vervolgens zal de gemeente moeten vaststellen of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen en zullen deze in kaart moeten worden gebracht;
Wanneer de problemen zijn vastgesteld moet de gemeente bezien welke hulp naar aard en om-vangnodig is om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelf-redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
Tot slot moet de gemeente onderzoeken welke hulp er vanuit ouders en/of het sociale netwerk geboden kan worden.